Deel 28

HET OEFENEN IN PORTLAND

HET is in Mei 1955 en we zijn aan onze laatste oefenweek in de „Portland exercise area" toe.

Met Hr. Ms. Vos en een Neptune van Valkenburg moeten wij Hr. Ms. Tijgerhaai te lijf, die fungeert als vijand en die ergens in „Dog outer" onder is gedoken! 1)

Voor het eerst sinds vele weken hebben we eindelijk een mooie warme dag en gelukkig staat er weinig wind, zodat het hier op de bovenbrug wel bijzonder prettig is. Aan de kim recht vooruit gonst als een nijvere bij onze Neptune alsmaar om zijn boeienpatroon heen, terwijl dwarsuit over bakboord de „Vos" op evenwijdige koersen met ons mee stoomt naar het door de Neptune opgegeven onderzeebootcontact. Zo langzamerhand ben ik gewend aan de stortvloed van vaktermen en OB-latijn die bij deze oefeningen door de commandocentrale en op de bovenbrug weerklinken en ik laat deze woorden dan ook af en toe achteloos uit mijn mond rollen, als het nodig is om scheepshonden elders te imponeren, hoewel - en dat blijft tussen ons lieve lezer - geef mij maar een goed soepbeen hoor!

Enige krachttermen van de Neptune (via de luidspreker op de brug) trekken mijn aandacht.

Een coastertje komt in de verte aanstomen, met grote witte snorren en zal zo te zien dwars door het boeienpatroon stomen. „Ja, nu is de zaak vergriept", zegt de commandant met een doodgravergezicht, „nu raakt die vliegheer hem vast kwijt." Even later wordt deze sombere voorspelling bewaarheid en enige ruwe verwensingen gaan naar het adres van het coastertje, dat vrolijk doorstoomt, niet vermoedende dat het ons spelletje in de war stuurt.

Desalniettemin stomen wij door naar onze prooi, die tijdelijk - naar we hopen - aan onze detectieapparaten is ontsnapt. I am famished" kraait de Neptune door de luidspreker.

„This is Charlie Nan - Roger - return to base - enne .... bedankt voor de samenwerking en goede reis -over!" roept de commandant terug. „Je kan wel merken, dat hij een tijdje uit de verbindingsdienst weg is", denk ik, „hij krijgt al zo'n ruige procedure over zich." „This is Valkenburg 321 - Roger goede vaart en tot ziens!" De Neptune maakt een scherpe bocht en komt laag ever het water op ons af, met donderend geraas van z'n motoren flitst hij over ons heen, achter de raampjes van de cockpit zien we de bemanning wuiven. Op de brug zwaait iedereen terug.

De officier-vlieger, die aan boord is geplaatst om weer familiair te worden met het scheepsleven kijkt mistroostig de slanke Neptune na en slaakt een diepe zucht.

“Charlie Nan this is Zebra X rav I'am hot ...." klinkt het over de radio. De jacht begint weer, het spelletje van kat en muis, of beter twee katten en één muis. Beurtelings vallen wij aan en assisteren wij, tot op het laatst de commandant zegt: „Ik word er groen en geel van, sleurt hem er uit!" Even later klinken een aantal scherpe knallen; het signaal voor onze onderzeeboot om boven te komen. Nadat de „sub" weer aan de oppervlakte is gekomen, moeten we nog de sonarboeien oppikken, en dan eindelijk kunnen we de terugtocht

aanvaarden naar Scheveningen, waar we morgen binnen moeten lopen om de opening van het visserijseizoen mee te maken. De „Vos" en de „Tijgerhaai" blijven nog een paar dagen achter in Portland.

Om de Oost stomend langs de zuidkust van Engeland wordt de wind alsmaar harder en de golven worden steeds hoger, maar gelukkig hebben we er niet veel last van omdat het recht achterin komt. Met een gerust hart leg ik mij tegen het einde van de eerste wacht te slapen onder het kacheltje in het stuurhuis . . . .Ik droom, dat ik weer op Curaqao ben en dat ik de Seroe Pretoe 2) op ben geklommen om van het uitzicht te genieten. Het is pracht weer en de immense raffinaderij van de C.P.I.M. ligt badend in het zonlicht voor mij uitgespreid; de blauwe walm uit de vele schoorstenen wordt als één machtig rookgordijn door de passaat in oostelijke richting gewaaid. Plotseling krijg ik het onbehagelijke gevoel, dat mij waarschuwt dat er ergens onraad dreigt. Ik kijk achterom en zie tot mijn ontzetting dat de vooruitstekende rots waarop ik zit een barst vertoont, die langzaam groter wordt. ,Lucky, dit is je laatste uur!" flitst het door mijn heen. Op hetzelfde moment stort ik -rotsblok en al - met donderend geraas in de afgrond .... Door een harde bons word ik wakker. Ik lig tegen de bakboordswand van de stuurhut en zie boven mij, in het rode schijnsel van de nachtverlichting, de roerganger weer overeind krabbelen.

Het schip neemt weer een geweldige schuiver en voor ik het weet spartel ik tussen de benen van de roerganger. Door de spreekbuis hoor ik de officier van de wacht op de bovenbrug naar de commandant praaien: „commandant, ik kan het schip niet langer op deze koers houden met de zee achterin!"

„Ik kom, probeer hem met de kop op de golven te krijgen!" klinkt het antwoord terug. Het wordt mij te benauwd in de stuurhut en voorzichtig klim ik de steile trap op naar de

bovenbrug, want het schip gaat te keer als een bezetene. Aan het trillen voel ik dat de machines tegen elkaar in staan. Ik heb nog niet mijn kop op de bovenbrug vertoond, of ik

krijg een geweldig pak water over me heen. Een razende wind fluit woest door het tuig en grillig gevormde wolken jagen met grote snelheid langs het maanverlichte zwerk.

De zee is één woedende schuimmassa en de kim is niet meer te zien. De commandant verschijnt op de brug. „We zijn aan het draaien commandant", zegt de oudste officier die de hondenwacht heeft. „O.K., loop maar klappen voor tien mijl, dan zullen we zien hoe hij zich houdt!"We liggen nu bijna recht op het zeetje, maar nog eenmaal neemt Neptunus wraak, door ons zulk een kaaier te laten maken, dat de scheepsklok uit zich zelf luidt, terwijl in het dagverbijlf met een oorverdovend gerinkel vijf en twintig mokken uit hun houder vliegen en aan scherven vallen op de vloer. In het benedenschip worden kerels uit hun kooien geslingerd en ontwaken vloekend tussen hun kooigoed op het dek. Maar nu liggen we goed en de telegrafen staan beide op „stand". „Het is pas het laatste uur zo hard gaan waaien, commandant" zegt de oudste officier, „het is nu zeker kracht tien!" „Er zit niets anders op, dan voorlopig zo te blijven liggen, antwoordt de commandant. „Er is .geen sprake van dat we nu Scheveningen binnen lopen, maar zodra het even afslecht zal ik proberen te draaien en dan gaan we zo mogelijk de Waterweg binnen!" Twee uur blijven we in dit inferno op de zee liggen en langzamerhand begint zich een bleek daglicht te vertonen. Blijkens de decca hebben we in die twee uur met omwentelingen voor tien I mijl maar vier mijl afgelegd.

De schipper en de chef machinekamer verschijnen ook op de brug. „Alle deuren zijn stijf gegrendeld en er kan geen kop aan dek komen" rapporteert de schipper. De commandant wil wat zeggen, maar iedereen bukt haastig om weer een stortzee te ontwijken. Met een smak klapt de „Wolf" weer terug op de golven. Een telegrafist verschijnt met een berichten-plankje. „Een routine van CZM, commandant." „Rekening houden met passeren door kanaal van president van Frankrijk aan boord van slagschip Jean Bart" leest de commandant half binnensmonds voor. .,

Die heeft dan pech gehad" is het commentaar. De telegrafist verdwijnt weer. Na verloop van nog een uur mindert de wind tot kracht negen en van een gunstig moment maakt de commandant gebruik om met roer aan boord en de machines tegen elkaar in het schip weer op een oostelijke koers te krijgen, naar Hoek van Holland. Het fluiten door het want wordt iets minder en we blijken het weer te kunnen houden op deze koers.

Een hofmeester verschijnt ten tonele, op de voet gevolgd door een zeuntje, beiden met mokken koffie gewapend. De stemming rijst weer enigszins. „Nou krijgen de lui weer tijd om aan zeeziekte te denken", zegt de commandant, „daarnet zaten ze daarvoor teveel in de rats!" We passeren in de loop van de voormiddag enkele schepen, die nog steeds bij liggen en worden vervuld van trots voor ons kleine scheepje, dat zich zo stoer een weg baant in deze westerstorm. De commandant leest aandachtig de zeilaanwijzingen voor Hoek van Holland en besluit binnen te gaan nadat is vastgesteld, dat de vloedstroom door staat als we voor de Hoek zullen zijn aangekomen om elf uur.

Tegen half elf beginnen de eerste kerken andere torens van de Hollandse kust boven de kim te komen. De loodsdienst is gestaakt en in de Waterweg kunnen we ettelijke schepen voor anker zien liggen door de kijker, die kennelijk wachten op betere tijden. Er blijken ondanks het feit dat wind en stroom naar binnen staan, nog behoorlijke grondzeeën te zijn voor de Hoek, in het nu bijna koffiebruine water dat stinkt naar modder en zeewier. Het hoofd machinekamer verschijnt op de brug en kijkt met een bedenkelijk gezicht naar de hoge zee. „Laat de havenroerganger op post komen", zegt de commandant.

Van de pieren van de Hoek is niets te zien, de lichtopstanden aan de kop zijn gehuld in witte schuimmassa's. “Waarschuw de machinekamer, dat we gaan manoeuvreren!" „Jawel commandant". Het hoofd machinekamer verdwijnt weer. Alles goed; we gieren geweldig, maar dank zij onze dubbele roeren en krachtige machines glijden we tussen de pieren door in plaats van erop. „Alweer mis", zegt de commandant. „Waarschuw de kombuis maar, dat ze kunnen gaan koken!" De telegrafist komt opnieuw boven met het plankje. „Een spoed van CMM Rotterdam commandant!" ,.Ligplaats Parkhaven achter „Fret" C-in-C Home Fleet in „Apollo" gemeerd aan Parkkade". Alle mensen het lijkt wel of alle belangrijke personen in dit noodweer op stap zijn" zegt de commandant, „strak ligt Stalin in de Waalhaven voor een bezoek aan de onderzeedienst!" Ondertussen schieten we hard op met de stroom en de wind in de rug en tegen één uur zien we de „Fret", onze oude speelkameraad in de verte aan de Parkkade gemeerd liggen. De kade is versierd met honderden vlaggen en vanaf deze afstand is al te zien dat er iets loos is. ,.De „Fret" ligt op het terrein van de E 55, die vanochtend is geopend". zegt de gamellenchef, die van beneden komt. „Ik hoorde het door de radio!" De meerrol komt post. We maken front voor de „Apollo", met CINC aan boord en stomen langzaam door naar de ,Fret', die met de kop naar binnen ligt. Het lukt ons echter niet om met de sterke stroom en wind achterin, ook met de kop naar binnen te liggen. „Dit wordt niks", zegt de commandant, „we zullen draaien op het anker en over stuurboord meren!" Even voorbij de „Fret" valt bakboords anker en direct begint het schip te zwaaien. Van nu af volgt de ene gebeurtenis de ander snel op. „Indraaien schipper roept de commandant. Langzaam gaan we nu vooruit tegen wind en stroom in. „Gelicht anker" klinkt het van de bak. „Beide machines zeer langzaam vooruit!" “Onklaar anker" roept de schipper. Het anker verschijnt boven het vieze, pikzwarte water. Aan de vloeien hangen een oud bed, een verroest frame van een fiets en een stuk staaltros. .,Laat maar hangen, die rommel, schipper, eerst meren!" Jawel commandant!"

Op dat moment komt met grote haast en in beste zondagse plunje de bemanning van de „Fret" aan dek. Langzaam naderen we de kade en we zijn nu dwars van de ,Fret", waar

iedereen aantreedt over bakboord. Een paar hinderlijk opdringerige scheepjes van de havenpolitie trachten zich nu tussen de kaai en het schip te dringen.

De commandant wordt nijdig, grijpt de megafoon en roept: „Ga uit de weg jullie, je ziet toch dat we gaan meren!' Verbijsterd kijken de stuurlui der scheepjes naar ons, alsof ze willen zeggen: „Een dergelijke brutaliteit hebben we nog nooit meegemaakt!' Op de bak schieten de eerste keesjes naar de wal en gelukkig worden ze direct gepakt door behulpzame handen.

Op dit moment zegt de telegrafist op de brug: „Van achteruit commandant; de Koningin komt eraan over bakboord!" Verschrikt kijkt iedereen naar achteren. En ja hoor, voorafgegaan door de bootjes die zo juist door de commandant waren weggejaagd komt een motorsloep van de havenbedrijven aanvaren met de standaard van Hare Majesteit in top. De verwarring bereikt nu snel haar hoogtepunt. De bemanning van de „Fret" gaat joelen, doch Hare Majesteit ziet daar niets van, daar ons scheepje er voor ligt, met oude ijzerwaren aan het anker en midden in de meermanoeuvre. Het is niet mogelijk om model front te maken want dan zullen we tegen de „Fret" opdrijven, dus de meermanoeuvre moet doorgaan. De commandant laat echter via de telefoon drie hoezee's voor Hare Majesteit houden, hetgeen hoewel niet gelijk, zeer spontaan geschiedt. „Zij die niks te doen hebben joelen!" praait de schipper. „Het nieuwste marinecommando" prevel ik. Lui die aan trossen staan te scheuren joelen met hun muts in de linkerhand en zij die hun handen helemaal niet vrij hebben roepen hoezee. „Dit lijkt met nou pracht materiaal voor een stukje in „Alle Hens", onder de titel „hoe onze marine vaart en werkt" zegt de officier van de wacht. Enkele minuten later liggen we veilig langs de kant, zij het dan met de kop naar buiten. Een officier van de „Fret" komt aan boord en begeeft zich met onze commandant en de officieren naar de longroom. Daar ik benieuwd ben, wat er zal worden besproken, glip ik mee naar binnen en maak misbruik van mijn kleine gestalte door me onder de tafel te verschuilen.

„Bedank je commandant nog wel voor het keurige eerbewijs, ik ben diep getroffen", zegt onze commandant, onder het motto de eerste klap is een daalder waard. Een ieder barst in lachen uit. „Hadden jullie niet even kunnen waarschuwen?" „Meneer, wij wisten het ook niet. We hadden ons voor alle zekerheid in Zondagstenue gestoken, omdat we wisten, dat Hare Majesteit langs zou komen, maar we hadden er geen idee van dat Zij een vaartocht zou maken. „Nou, nou, dit was me een dagje", zucht de commandant, „eerst word ik midden in de nacht wakker op de vloer van m'n hut met een stoel boven op me, dan die storm, daarna word ik gewaarschuwd dat de president van Frankrijk door het Kanaal zwalkt, dan mis ik net de pieren, daarna wordt ik gewaarschuwd dat de CINC Home Fleet de Parkhaven onveilig maakt en tenslotte, net als ik een zootje oud ijzer ophaal, stuur ik het escorte van Hare Majesteit op ruwe wijze weg. Als ik nu geen Ltz. I ZV 3) word dan weet ik het niet!"

Ik hinnik van de lach, hetgeen dom is, daar de oudste officier mij snaait en me met een trap onder m'n achterste de longroom uit bonjourt, zodat de rest van 't besprokene voor mij verborgen blijft. Bedroefd dribbel ik de Gouden Bal binnen, om troost te zoeken. „Kom maar hier ouwe jongen", verwelkomt de schipper me, met een ingevallen mond, niet van de zorgen, maar vanwege alle missende scheehoutjes. De chef MK schenkt me een straffe borrel in en zodra ik het welbekende branden van de alcohol door m'n bloedvaten voel, zucht ik getroost en voel me weer de oude worden. De Gouden Bal aan boord van Hr. Ms. Wolf is overigens maar een laag pitje. Niet wat de stemming betreft, die is .best, maar de uitvoering is beneden nul. Slechts een gordijn (de muur van Jericho) scheidt dit verblijf af van het cafetaria zodat van „privacy" niet veel overblijft. Zo ook nu, het eten wordt uitgedeeld en het commentaar op de hap is maar al te duidelijk te horen. Na mijn borrel te hebben uitgedronken duik ik onder het gordijn door en haal mijn portie bij de provoost. De gesprekken aan de bak gaan natuurlijk over de storm en de overige gebeurtenissen.

Iedereen is in beste stemming want zo aanstonds begint de permissie en dat is vooral na deze periode van drie weken die we uit Holland zijn weggeweest een waar feest.

Weer eens thuis! geen zoemende ventilatoren om je hoofd, geen nauwe slaapverblijven, geen slingerend schip, niet alleen maar kerels, etc! Ettelijke uren later is het grootste deel van de bemanning dan ook uitgezwermd over Nederland en de „Wolf" ligt stil en verlaten,

glinsterend van de regen die door de stormwind wordt gezwiept.

Slechts de onderofficier van de wacht en de leerling kijken mistroostig voor zich uit aan dek en verbeiden hun beurt om naar de wal te gaan.

 

1) “Dog outer” is een der oefengebieden bij Portland

2) Seroe Pretoe is Zwarte Berg

3) Zonder vooruitzichten.

Home
Schrijf een bericht in het Nautenboek
Bekijk hier mijn Nautenboek