Deel 27

THUISVAREN

SIDDEREND van de koude sta ik aan dek, in een loeiende wind naar de Hollandse kust te kijken, in mijn hart alsmaar die Batavieren verwensende, die zo dom waren indertijd de Rijn af te zakken en daar nog te blijven ook! Mijn in de West dun geworden bloed en vacht hebben zich nog niet aangepast aan de lagere temperaturen die in deze gewesten plegen te heersen en ik ben dan ook koud tot op het gebeente. Het waait zo hard, dat de loodsdienst is gestaakt, maar - Allah zij geloofd en geprezen - we hebben gelukkig in

le Havre de loods al aan boord genomen, zodat we toch de Waterweg in kunnen glijden. Nog even maakt het schip een paar valse kaaiers, maar dan is het voorbij en de golven beuken spijtig op de pieren van Hoek van Holland; ons kunnen ze niets meer doen. De zeezieke passagiers kijken allen opgelucht en beginnen zich nu te bezinnen op de leugens die zij straks de douaneambtenaren op de mouw zullen trachten te spelden. Ik zie een uit de West thuisvarend officier met zijn gezin ook bedroefd naar de groene weiden staren; die gaan blijkbaar net als ik met frisse tegenzin terug, concludeer ik.

Met weemoed denk ik aan de gezellige tijd op Curaçao, waar het nooit koud is, het katje genoeg is en de vrouwen zodanig gekleed gaan, dat zij tot hun recht komen. Ja, waarde lezers, mijn verblijf in de West liep plotseling af, door de geheimzinnige ziekte die ik eensklaps kreeg. Ik zie nog de ziekenboeg van de Marinebasis Parera voor mij, met de glimmende instrumenten en de ligbank in het midden van de spreekkamer.

De wantrouwige korporaal ziekenverpleger haalde een thermometer uit een glazen bakje en legde hem aan .... rectaal nota bene !! Welk een aantasting van mijn mannelijke waardigheid, die nog slechts kan worden overtroffen door het geven van een lavement ! Na het aflezen van de thermometer keek de korporaal verbaasd. „Hij is nog ziek ook", zei hij tegen de majoor, die was komen kijken. „Nou dan zullen we de dokter er maar bij halen," is diens oordeel, „tap maar alvast bloed af en urine enzovoorts; de hele rataplan." Even later stond de dokter, een groot krachtig gebouwd man, gewapend met een hygiënisch doktersgezicht en een koffertje verleidingsartikelen aan mijn sponde. “Wat is er met hem loos?" vroeg de arts aan de majoor. „Hij heeft temperatuursverhoging, dokter, het lijkt wel wat op bulawaya" l), zegt de majoor. „Hij had de laatste dagen al  vrij van smieg 2)" voegde hij er nog aan toe. Verbijsterd luisterde ik naar dit abracadabra. De dokter onderzoekt mij uitgebreid onder het toepassen van vele handgrepen en moest tenslotte bekennen dat dit zaakje voor hem te moeilijk was en ik beter naar de gouvernements veearts kon gaan voor nader onderzoek. Bij de gouvernements veearts heb ik toen nog, geflankeerd door twee ziekenverplegers, twee uur zitten wachten tot ik aan de beurt kwam. De laatste patiënt vóór mij was een sip kijkende inktzwarte kater, in een mandje, begeleid door een juffrouw, die zo te zien alleen voor haar katertje leefde. Blazend en brommend verdween de kater met zijn bazin in de spreekkamer, waarvan de deur niet eens werd gesloten. Even later klonk er een snerpende gil uit de spreekkamer, gevolgd door de kater, die als een zwarte bliksemschicht de deur uitvloog en met grote sprongen verdween. De veearts en de bazin, elk met een vurige krab over het gezicht, kwamen totaal onthutst buiten en hadden het nakijken, tot grote vreugde van de overige wachtende patiënten. Met kloppend hart betrad ik de spreekkamer, waar na enkele minuten de diagnose werd gesteld: „Hondenziekte, door een chronisch gebrek aan eiwitten, terugkeer naar Nederland gewenst." Jongens wat een pech .... En zo zit ik dan nu hier aan dek te kijken naar het voorbijglijdende Hollandse landschap, waarboven wolkenflarden elkaar achterna zitten. In de verte doemen de vele havens van Rotterdam op en over stuurboord passeren we de raffinaderijen van Pernis; de stank daarvan doet me weer even denken aan de lijzijde van Curaçao. Een uur later liggen we - geholpen door twee nijvere sleepboten - aan de kade en mogen de passagiers van boord. Ondertussen is een fikse regenbui losgebroken, maar gelukkig gebeurt het douaneonderzoek in een overdekte loods. Ik ben juist bezig mijn schamele bundeltje weer in te pakken, als er een vriendelijke lachende secretaris op me afstapt. „Zo Lucky, welkom in het moederland zegt hij. Vervolgens overhandigt hij me een schraal hoopje bankbiljetten.

(Nederlands courant') „Dank U wel, meneer, dat is zeker een week voorschot”, zeg ik hoopvol. „ Wel neen, mijn beste hond, dat is je salaris voor deze en de volgende maand, want dan is je verlof weer om en ga je uit mijn rol!„ Ik verbleek van schrik en zet mijn poot op de enveloppe als bewijs van ontvangt. In plaats van de taxi die ik van plan ben te nemen zie ik me al in de tram zitten, als gelukkig de officier uit de West naar mij toekomt en mij een lift aanbiedt, die ik natuurlijk niet afsla. Genoeglijk kankerend, zoals het Hollandse marineklanten betaamt, begeven we ons op weg naar Den Haag. „Wat gaat U nu doen, meneer?" vraag ik, trachtend een inleiding tot een gesprek te maken. „O, dat weet ik nog niet precies, dat vertellen ze me wel op het luizenhuis, waar ik me moet melden. Die officier, die ons in de douaneloods uitbetaalde, zei dat ik een klein scheepje zou krijgen, van het type „Wolf". “Dat zult U zeker wel leuk vinden beter kleine baas dan grote knecht!'” „Ja, inderdaad, maar voorlopig verheug ik me er nog niet op, dan kan het nooit tegenvallen." „En wat ga jij doen, Lucky?" „Ik moet eerst voor onderzoek naar het marinehospitaal Overveen en daarna ga ik tot begin Maart met verlof. Dat ga ik

hoofdzakelijk in Den Haag doorbrengen, rondom de Kneuterdijk, want daar ben ik goed bekend, meneer!" „Ah juist, je keert dus terug tot het terrein van je wandaden, evenals alle misdadigers!" Een half uurtje later rijden we de Lange Vijverberg af, voorbij de plek waar ik nu bijna vier jaar geleden in het bagagecompartiment van die admiraalsauto  stapte. „Je bent toch wel wat vooruitgegaan, Lucky", overpeins ik, toen was je niets, reed stiekem mee en had geen cent, nu zit ik in de auto, ben scheepshond eerste klas met een buik vol dienstjaren plus een bescheiden sok". Bij de Bonnetterie word ik afgezet en na hartelijk voor de lift te hebben bedankt, dribbel ik vastberaden de „Passage" in, op zoek naar oude relaties. Mijn lotgevallen tijdens het tropenverlof zal ik U besparen, waarde lezer, er zijn nu eenmaal van die dingen, die een hond voor zichzelf houdt! Laat ik volstaan met te zeggen dat niet alleen het bier, doch ook diverse andere zaken weer best waren. Mijn sok slonk dan ook zienderogen en het was maar goed dat ik eindelijk mijn nieuwe bestemming kreeg, in de vorm van een overplaatsing naar Hr. Ms. „Wolf", de visserijpolitiekruiser. Ik had nog nooit van die schuit gehoord, laat staan hem gezien. En zo zit ik dan nu in de trein naar Den Helder. We zijn Alkmaar bereids gepasseerd, hetgeen kenbaar is aan het steeds kaler wordende landschap, waarin zo hier en daar een uitgemergeld boompje zich probeert staande te houden onder de geselende slagen van de storm die hier doorgaans pleegt te heersen, zo ook nu. De conducteur komt binnen en ik sleur voor de vijfde maal vandaag mijn vrij-vervoertje uit mijn jekker om het aan de strenge dienaar der Nederlandse Spoorwegen te tonen. We naderen de jutterij, ,want ik zie in de verte een mastenbos boven de huisjes van de jutterij uitsteken. Ver boven alles uit torenen „de Ruyter" en „De Zeven Provinciën" met hun bijna 45 meter hoge masten. Na woest remmen houdt de trein stil. Niets is hier veranderd sinds 1951, nog steeds hetzelfde ouderwetse gammele station; ik breek bijna mijn nek als ik naar de aardbodem afdaal, want een perron is hier niet, evenals twintig jaar geleden, en net als in 1951 stort zich een woeste horde van marineklanten naar de uitgang, waar natuurlijk maar één paai staat om de kaartjes in te nemen, zodat het eeuwen duurt voordat je er door bent. Daarna zijn natuurlijk weer net als vroeger alle taxi's weg, zodat je met een zware koffer of plunjezak staat af te dorren op het pleintje voor het station. Na een half uur wachten krijg ik eindelijk een taxi en snor door de straten van de stelling. Ik ben zo blij als een kind dat ik niet ben gaan lopen, want ik herken de haven bijna niet meer. Toen ik naar de West ging was er alleen nog maar een onnoemelijk aantal heimachines en nu zie ik de nieuwe buitenhaven, vol met schepen en onder de indruk van dit machtig schouwspel prevel ik: „Dat gaat verdacht veel op een oorlogshaven lijken!" De chauffeur vertelt mij dat de Wolf" aan schiereiland tien ligt, hij heeft daar een paar uur geleden al iemand af moeten zetten. We snorren over de brug bij de Atjehloods en eindelijk bij de laatste steiger stopt de taxi en ik ben op m'n plaats van bestemming. Ik reken af, de taxi rijdt weg en daar sta ik met m'n plunjezak op schiereiland tien, in een ijskoude loeiende wind. Vóór mij ligt Hr. Ms „Wolf", hetgeen door middel van een mooi naambord met gouden letters aan de wereld wordt geopenbaard. Wat een merkwaardig scheepje. Op de betrekkelijk kleine romp rust een brug als van een kruiser en daarachter, waar je een schoorsteen zou verwachten, niets ....helemaal niets .... of, nee toch, een klein piefje, waar met nijdige stootjes rook uitkomt. Aan de ra wappert de visserijpolitiewimpel. Er is geen kop aan dek en het schip is omringd door ijsschotsen, die in deze hoek van de haven bij elkaar zijn gedreven. IJsschotsen in Maart! ! ! Zoiets heb ik nog nooit meegemaakt. Nog even kijk ik naar mijn nieuwe tehuis voor ik aan boord ga. Wat zal het mij brengen? Voorspoed of tegenslag? „Jenever can teil", prevel ik, in mijn beste Engels, slinger mijn plunjezak over mijn schouder, het touw in mijn bek, en met korte pootjes dribbel ik de loopplank op. (Wordt vervolgd.)

*) Voor de onervaren lezer zij vermeld dat:

le. bulawaya de op Curaçao gangbare benaming is voor een flinke kou met buikgriep en

tevens de naam van een populair dansdeuntje.

2e. smieg een afkorting is voor sport, marsen, infanterie, exercitie en geweer

 
Home
Schrijf een bericht in het Nautenboek
Bekijk hier mijn Nautenboek