AAN BOORD VAN DE VISSERIJPOLITIEKRUISER

Deel 29

Aan boord van Hs. Ms. „Wolf" voel ik me al gauw ingeburgerd. Het scheepje heeft z'n voor en nadelen. De veewarming is uitstekend en dat vind ik, kersvers uit de West, natuurlijk heel belangrijk. Verder is er warm en koud stromend water, dat is ook lang niet gek. Maar wat zijn die verblijven nauw! Op sommige plaatsen moet je eerst uitademen voordat je tussen de kastjes en de klapkooien kan passeren. Dus ga ik op zoek naar een betere tampat en vindt die uiteindelijk bij het kacheltje in het stuurhuis. Deze tampat heeft drie voordelen: 1e. Het is er rustig. 2e. Het is er warm. 3e. Er mag niet worden gerookt en je zit dus niet in de stank. Nu wordt tegen deze laatste regel nog al eens gezondigd, maar meestal krijgen ze het op de bovenbrug gauw door, wanneer er in de stuurhut clandestien wordt gerookt door de roerganger of door een of meer „oplopers". Dat blijkt dan uit een boze stem die door de spreekbuis klinkt, of uit het feit dat de commandant of officier van de wacht binnen komt vallen, zodat men amper tijd heeft de strootjes te verbergen.

Op een goede dag ben ik op de bovenbrug en vind ik de oplossing van dit raadsel; ik zie de rook namelijk duidelijk opstijgen uit de spreekbuis. En jawel hoor. De commandant heeft het ook gezien en verdwijnt naar beneden. Even later hoor ik dat een stoker geschaakt is. „Dat wordt dus het vlaggenboek" mompel ik. Een van m'n geliefkoosde plaatsen is een van de zitbankjes op de bovenbrug. Er is er een aan stuurboord en een aan bakboord en ze zitten in een soort uitstulping, zodat je een pracht uitzicht hebt. Als ik op het bankje zit, komt mijn kop nog net boven de dichte verschansing uit zodat ik alles kan zien, maar toch beschut ben tegen

de wind. Ik moet alleen oppassen als de commandant op de brug verschijnt, want die vindt niet goed, dat ik daar zit. ,.Dat past een scheepshond eerste klas niet om te zitten, terwijl ik hier sta!" Vervolgens wordt ik er met een zwaai afgejaagd. Wat mag er toch veel niet op de wereld! Onze eerste reis is naar Portland, waar we met de „Fret" (een soortgenoot) en de 021 gaan „pingen". Wat ze met dat „pingen" bedoelen, is me niet helemaal duidelijk, het heeft echter kennelijk niets met pingpongen te maken, maar dat zal ik later wel uitvinden. Midden in de nacht vertrekken we uit Nieuwediep, samen met de Fret, Het is prachtweer en stik donker. Door een warwinkel van baggermolens banen we ons een weg naar de rede en vervolgens stomen we door het Schulpengat naar buiten. „Ha, daar komt de Fret," zegt de commandant tegen de oudste officier, die vaste paai hondenwacht is. Langs de rij twinkelende lichtjes van Huisduinen zie ik een wit en een groen licht schuiven, die steeds dichterbij komen om uiteindelijk op 1000 yards achter ons te blijven hangen, terwijl nu ook een rood licht is te zien. „Charlie nan this zebra x ray - able station - over” „This is Charlie nan - roger

- out!" zegt de yemer door de microfoon. ,De Fret is op post Commandant'." „Ei, ei!" is het antwoord.

Over bakboord passeren we een lichtboei, die zachtjes op de deining heen en weer dobbert; de uiterton van het Schulpengat. „Alweer mis," prevelt de commandant „Officier van de wacht, heb je 'm, ik ga plat!" zegt de commandant. “Jawel commandant!' ' De commandant verdwijnt naar beneden en de officier van de wacht steek een sigaretje op. Het is fris, maar er is bijna geen wind en de zee is kalm, het wordt dus een goede wacht. Ik blijf nog even boven zitten om genieten van het uitzicht. De Nederlandse kust is kenbaar door de rond wentelende lichtbalken. Van de vuurtorens en even over bakboord begint een rosse lichtgloed zich sterk duidelijker af te tekenen: de hoogovens bij Velsen. Over stuurboord zie ik de witte lichten en het groene licht van een tegenligger. Op hetzelfde moment dat de officier van de wacht naar zijn kijker grijpt om het geval nader te bekijken, begint even boven het groene licht een seinlamp te knipperen. De seiner schakelt zijn lamp in en geeft antwoord. „Dat is „De Ruyter" meneer!" zegt de seiner. „O.K., sein maar terug, dat wij met de Fret in kiellinie varen op weg naar Vlissingen". Even later, terwijl de seinlampen aan weerszijden nog aan en uit flappen, schuift het grote silhouet van „De Ruyter" langs ons heen; het doet mijn hart goed, zulk een groot machtig schip geluidloos in de nacht voorbij te zien glijden, in de wetenschap dat het een landgenoot is.

Nu begin ik slaap te krijgen en na de officier van de wacht goede nacht te hebben gewenst, trek ik me terug naast het kacheltje in het stuurhuis. De stoom maakt een gezellig pruttelend geluid door de leiding die naar het kacheltje loopt en het enig andere geluid dat ik af en toe hoor is het rondsnorren van het stuurrad, als de roerganger een gier van het schip wil bedwingen. Langzaam maakt de slaap zich van mij meester en verzoend met het lot, dat mij op dit kleine scheepje heeft geplaatst, sluit ik de ogen en geef mij gewillig over aan een van de prettigste bezigheden van de marineman aan boord: een goede piepslag.

„Poeng…………… poing!!" „Poeng…………… poing!!"

„Definitief onderzeeboot!" „Doppler iets hoog!" ,.Sonar overnemen," zegt de commandant.

..Sonar overnemen," herhaalt de telefonist van de sonarhut. “Black pendant voor, one able vóór!" zegt de commandant tegen de man bij de intercom. Deze is blijkbaar niet vrij van zeeziekte want hij staat er bij als een geknakte lelie en kermt door de intercom naar het stuurdek:

„Black pendek vóór, one able vóór!"1) Iedereen barst in lachen uit.

…..Buhhl: ……buhh," zegt de man aan de intercom en hij hikt weer een gedeelte van zijn ontbijt in een pul die aan zijn voeten staat. Ondertussen gaat de aanval door en we naderen de onderzeeboot, blijkens het plot en de steeds dichter op elkaar volgende pongen:

„Pong . . . . . poiing!" „Pong . . . . . poiing" .,Ping . . . . . poing" „Pong . . . ping" „Ping . ping"

..Opgepast" . . . . zegt de telefonist van de sonar. Twee ontploffingen volgen en twee maal gaat er een schok door de commandocentrale. De Hedgehog is afgevuurd en even later zijn we boven ons doel. Onze aanval is nu afgelopen en een warwinkel van orders gaat over de intercom, de radio en de sonartelefoon. Vlaggen schieten omhoog en omlaag en even later daalt de rust weer. Ik blijf gefascineerd staan kijken naar dit bedrijf, dat ik nog niet heb meegemaakt in mijn korte marineloopbaan en dat in de wandeling bekend staat onder de naam „pingen". De „Fret" heeft nu kennelijk de beurt om aan te vallen en wij draaien om hem heen om opnieuw in een aanvalspositie te komen! „Net twee katten, die met een muis spelen," schiet het door mij heen. Overigens voel ik me niet al te lekker. Want het schip slingert als een bezetene en de man aan de radar begint nu ook al bijzonder sip te kijken. Gedempt dringt het loeien van de wind tot ons door, als de deur naar het trapportaaltje nu en dan opengaat, om een aflosser door te laten. Het lijkt wel een soort speelhol, de commandant, oudste officier en de rapp staan ingespannen op het van onder verlichte plot te turen, dat alleen hun gezichten belicht, terwijl de rest in het donker blijft. .,Mooi zijn jullie niet," denk ik. De man bij de radar ziet al even grom als zijn scherm, waar als een dikke trage bromvlieg de echo van de Fret overheen kruipt. Eentonig roept hij de peilingen en afstanden af. Volgens het plot moet de Fret nu bijna ten aanval komen, dus ik besluit om maar eens boven te gaan koken, hopende dat ik me in de frisse lucht wat beter zal gaan voelen . Ik klauter het trapje op naar de bovenbrug en installeer mij met een zucht van inspanning op een van de uitkijkstoeltjes.

Er staat inderdaad een flink zeetje en we nemen aardig wat buiswater over. Op ongeveer duizend yard dwars over bakboord huppelt de Fret als een speels konijn door de

golven, de zwarte wimpel en het aanvalssein in top. Het zicht is slecht en flarden mist jagen over het water.

De commandant komt ook boven en kijkt fronsend naar de mistbanken. ,Het ziet er naar uit dat het zicht steeds slechter wordt," zegt hij tegen de officier van de wacht, die aan SB staat bij de kist met handgranaten. ,.Ja commandant, er komen steeds meer mistbanken opdagen," is diens antwoord. De zuidkust van Engeland is niet meer te zien. De commandant kijkt nog eens om zich heen en zegt: „Ik zal de Fret vertellen dat dit zijn laatste aanval is en daarna geef ik jou een seintje om de onderzeeboot er uit te halen!" „Jawel commandant!"

Plotseling zie ik twee zwarte stippen voor de Fret uit in een wijde boog door het luchtruim schieten en in het water plonsen. Even later volgen twee doffe klappen." Dat zijn de twee projectielen van de Hedgehog. We blijven nu een tijd lang op evenwijdige koersen varen, dus het gestoei is kennelijk afgelopen. Even later klinkt er een dof gebrul door de intercom: „Op de brug drie handgranaten!" . De officier van de wacht treedt met ware doodsverachting op de kist handgranaten af en slingert, na de pennen te hebben uitgetrokken en met mooie regelmatige tussenpozen drie handgranaten over boord. Met nijdige ploffen exploderen de ondingen even onder het wateroppervlak en roepen zodoende onze sub boven. Iedereen tuurt nu vlijtig het water af om het eerst de onderzeeboot te zien, want daar staat een pijpje op, uitgeloofd door de commandant. Het duurt eindeloos. „Ja!" roept de commandant. „Eéii rookkaars!" Weg pijpje denken de overigen. Na nog een tweede rookkaars te hebben losgelaten, komt onze sub, de „O 21" weer boven. Net op tijd, want het zicht is nu beneden alle peil. Na enig over en weer gesein wordt de terugweg naar Portland aanvaard, waar ik helemaal niet rouwig om ben, want we gaan nog steeds te keer als een dronken man. Te midden van buien en mistbanken zoeken wij drie ploeteraars onze weg terug naar naar onze prettige ligplaatsen aan de Q-pier.

Dank zij de radar vinden we onfeilbaar onze weg naar de haven van Portland. Daar is het een dof gedrang. Allerlei schepen, die het kennelijk ook buiten te bar vonden, willen nu zo gauw mogelijk dat gat binnen. Oh de brug staat de „branietrust". Op een kluitje bij elkaar, kijkers aan het hoofd. „Ja, ik geloof, dat we erin kunnen," zegt de commandant en hij heeft net de telegraaf op vol vooruit laten zetten, als zich plotseling uit de nevel achter de haveningang een kleine onderzeeboot losmaakt, die met veel haast en grote witte snorren naar buiten wil. „De rotjongen," zegt de commandant, „stuurboord aan boord!" „Stuurboord aan boord," klinkt het dof uit de spreekbuis. Gehoorzaam maakt de ,.Wolf" nog een rondtorn en juist als we slaags liggen doemt een jager op, die blijkbaar ook naar binnen wil en die blijkens de zwarte band om de schoorsteen een captain „D" aan boord heeft.2)

„Daar wachten we niet langer op." „Roerganger, telegraaf op vol vooruit!" „Seiner maak aan die jager over bakboord: „Reques permission to pass ahead!"3)

De „Wolf" glijdt gehoorzaam naar het gat tussen de beide havenhoofden, terwijl de seinlamp druk kleppert. „De Jager antwoordt: it will be a pleasure," praait de seiner.

Even later komt de meerrol op post en koersen we tussen de meerboeien door naar de Q-pier.

De telegrafist komt boven met een spoedbericht: „On arrival berth in queenfour alongside Brocklesby. 4)

„Laten we hopen dat de Brocklesby ditmaal actiever is," zegt de oudste officier. „Brocklesby" is een oude jager, omgebouwd tot fregat, het moet wel het minst schone schip van de Britse marine zijn en bovendien niet actief. Toen we de vorige keer aankwamen, werd de commandant bijna tot wanhoop gedreven, omdat er een sterke aflandige stond en de matrozen van de Brocklesby herhaaldelijk de keesjes lieten glippen, hetgeen onze meermanoeuvre van gisteren niet vereenvoudigde. In spanning wacht ik af, hoe het ditmaal zal gaan, want er is weer een aflandige wind en nu een hele sterke. Langzaam naderen we en tot ieders voldoening zien we. dat er voor en achteruit een paar matrozen klaar staan om ons te ontvangen; gisteren waren er maar twee. Op onze bak staan de beste keesjesgooiers af te wachten op het sein van de schipper. Ja, zet hem op," zegt deze. Twee keesjes snorren door de lucht. De ene ketst tegen een van de matrozen op de Brocklesby aan, die even verdwaasd blijft kijken en vervolgens bliksemsnel overal houdt en het ding grijpt. Het andere keesje smakt tegen de romp en valt onder zacht hoongelach van de maten van de ongelukkige keesjesgooier in het water. “Dat valt me mee vandaag," zegt de commandant opgelucht. De rest is kinderwerk en even later liggen we rustig afgemeerd langs de Brocklesby, waarna we ons haasten om de Fret een handje te helpen, die achter ons komt te liggen. Ik besluit, dat mijn tegenwoordigheid hier op de bovenbrug niet langer noodzakelijk is en daal de steile trapjes af om eens te kijken of er in het cafetaria wat te halen valt, want nu we niet meer slingeren, begint mijn maag weer danig te knorren.

 

Schrijf een bericht in het Nautenboek
Bekijk hier mijn Nautenboek