Deel 3

Nachtelijke ontmoetingsoefening en mijn eerste “bakje “’

VANDAAG zit ik op een uiterst lage pit. Ik sta namelijk voor twee feiten op parade en ben nu doodsbenauwd dat dit bakje mij een paar passagierdagen in Stockholm zal kosten.

Het was ook wel behoorlijk pech, eerst snaaide de gamelle-chef (overigens een vriendelijk man) mij dat ik weer wat in het lekbakje van de ijskast deed en het tweede feit was nog veel erger. Toen ik langs de kombuis liep namelijk, zag ik de kok de proefbordjes in het daarvoor bestemde kastje doen. Ik had reuze honger en van een onbewaakt ogenblik maakte ik gebruik om de bordjes leeg te eten en vervolgens het deurtje weer netjes dicht te klappen.

Toen de kok evenwel op de brug kwam was de boot aan, want hij opende met een elegant gebaar het deurtje en gaf de kolonel een leeg proefbordje.

Die arme kok, hij keek alsof hem zojuist was aangezegd, dat hij de rest van zijn leven moest varen. De kolonel gelastte een onderzoek en aangezien ik nu eenmaal een redelijke graad van eerlijkheid bezit, leek het me beter om maar voorgaats te komen en mijn zonde te bekennen, met als resultaat een tweede notitie in het

vlaggeboek. .

 

. . het eerste bakkie . .

Om tien uur moest ik aantreden voor de hut van mijn gastheer, die optreedt als mijn divisiechef (ik ben bij het „niet ingedeelde" dekspersoneel). .

Om elf uur was het parade - achteruit. Alle honden, wat voelde ik me klein. Ik stond helemaal op de linkervleugel van het gestraftengelid aangetreden en keek vol ontzag naar het „vriendenkringetje", bestaande uit Commandant, eerste officier, schipper, onderofficier van politie en de betrokken divisiechef.

Eindelijk was het mijn beurt. ,

,Scheepshond derde klas Lucky Joseph" riep de schipper. Ik uitte een korte militaire blaf, zwiepte mijn staart en oren in de houding en dribbelde met een matig looppasje naar de commandant; op twee meter hield ik halt.

„Kom wat dichterbij" beet de Onderofficier van politie mij toe en vergezelde deze woorden met een middelmatig harde trap tegen mijn achterste. O, wat voelde ik me klein.  Iedereen keek strak en dreigend naar me, vooral die schipper keek zo doorborend. „Ja. Joseph, dat is niet zo fraai, waarvoor jij hier moet komen," begon de kolonel.

(Ik schudde zwijgend mijn kop).

Besef je het ondisciplinaire van je gedrag? Waarom doe je dergelijke grapjes in het lekbakje?"

„Omdat de stortkoker te hoog voor mij is, kolonel," zei ik met een prop in mijn keel; meer kon ik niet uitbrengen. „Hm", zei de kolonel, „en wat heb je te zeggen over je tweede vergrijp?"

„Geen excuus, kolonel" was mijn antwoord. „Dan zal ik je voor een en ander corrigeren, ga je gang maar" en met een lichte hoofdknik kreeg ik permissie om af te druipen.

Die avond toen ik weer mijn net in wilde springen zag ik het rapportenboek bij mijn gastheer op tafel liggen.

Ik kon niet nalaten om even te kijken wat ik had getrokken.

 „Een dag licht arrest en een dag strafdienst ŕ 1 uur per dag z.g.g. v.zo. en z.l.l.b. i.o.g." stond er.

Dit nu was volkomen abracadabra voor mij, doch de oplossing kreeg ik toen de officier van de wacht mij de straf „aanzegde".

„Een dag licht arrest en een dag strafdienst ŕ een uur per dag; zeer goed gedrag, verzachtende omstandigheden en zeer lage lichaamsbouw in aanmerking genomen"; wegens „het voorproeven van schaften, terwijl hij daartoe niet bevoegd is en het wateren op plaatsen waar zulks niet is geoorloofd."

Nee, ik moet zeggen dat het mij erg meeviel, ik vond dit een billijke straf, bovendien slofte ik zo nog net vrij voor Stockholm.

De onderofficier van politie vertelde me dat ik de volgende dag in rusttijd een uur psalmen zou moeten zingen met twee andere gestraften. Ik had er weliswaar geen flauwe notie van wat eigenlijk met „psalmen zingen" werd bedoeld, maar ik besloot geen voorbarige vragen te stellen en af te wachten. Dien avond was het „nachtelijke ontmoetingsoefening". 

Ik was reusachtig benieuwd, want zoiets had ik nog niet meegemaakt. De smaldeelcommandant sloeg als scheidsrechter zijn hoofdkwartier op in de kaartenkamer en het smaldeel werd verdeeld in twee partijen. Wij stelden een .,raider" voor en de fregatten waren onze tegenpartij.

Verder kreeg ik ook een baan toegewezen, namelijk ordonnans smaldeelcommandant, ik kreeg een keurig

berichtenkokertje aan mijn halsband gebonden en moest alle berichten van de smaldeelcommandant naar de radio brengen  en terug en ook indien nodig naar brug - of commandocentrale.

 

„psalmen zingen"

De avond was prachtig, de zee was volkomen vlak en de Tromp trok er een kaarsrechte voor doorheen, de duisternis viel langzaam in.

Opeens gingen de lichten uit, nu werd het pas „Echt," ik begon er helemaal in te komen. Op de brug was alles stikkedonker, hier en daar gloeiden lampjes die wijzerplaten verlichtten als even zo vele glimwormpjes. Zwijgend tuurden de commandant en de officier van de wacht op het radarscherm of naar buiten. Plotseling een kreet uit de commandocentrale: „Echo drie vijf nul dertien."

Opeens was alles in leven. Ik besloot naar de radiohut te gaan, aangezien mijn hondenverstand mij zei, dat de vijand misschien wel het een en ander te zeggen zou hebben. In de radio was alles stil; de telegrafisten luisterden gespannen, koptelefoons over de oren; alleen de morsetekens van de marineomroep Nederland tjilpten onverstoorbaar door, als een trouw baken in de ether.

 

Plotseling mengde zich een nieuw geluid met de andere tekens, iets hoger en sneller was dit, de telegrafist tikte reeds op zijn schrijfmachine en reeg de morsetekens aaneen tot een bericht.

Met een snelle beweging scheurde hij het berichtje van de papierrol af, deed een afschriftje in mijn kokertje, gaf, me een klap op mijn bil en zei: „Voorde smaldeelcommandant Lucky, zet 'm op!».

Ik dribbelde zo hard als ik kon naar buiten, stootte mijn kop tegen de kist met de noodbatterij op het

seindek, .mompelde een verwensing, zag sterretjes, wipte over de drempel van de kaartenkamer en

stootte de chef aan. Deze nam het bericht uit mijn kokertje en las het; zijn gezicht begon te glimmen.

„Ha, ze hebben ons," glimlachte hij. „Dat zou je in oorlogstijd ook niet zo zeggen mannetje" dacht ik en sprong op de kaartentafel, waar ik mij in een hoekje opschoot om eens even een blik te werpen op het generale plot van de beide partijen. Het werd me nu duidelijk dat de vijand - bestaande uit de fregatjes - weldra binnen schoots-afstand' zou zijn. De chef staf had ondertussen een paar berichten geschreven, waar ik weer mee naar de radio rende. Het werd nu volle pannen, ik bleef heen en weer rennen en kon het nauwelijks bijhouden.

Op de brug was alles in actie, het was ondertussen alarm zeedoel gehouden en iedereen was nu op post. De kanons stonden in de richting van de vijand, de sluitstukken waren geopend en de lichtgranaten bij de hand. Ondertussen was de Tromp vier en twintig mijl gaan lopen.

Ziedend raasden de ketelfans en de lage schoorsteen braakte gloeiende lucht en pijpluizen uit, sissend sneed de boeg door het water en de wind bulderde, en rukte aan mutsen en petten . . . . Beng ! ! Een witte lichtflits, een langzaam wegstervend geloei van de wegsnellende granaat een halve minuut later bungelde plotseling een dwaallichtje in de lucht, dat langzaam naar beneden zakte. Een tweede granaat schoot gillend door het luchtruim om enige seconden later in een tweede dwaallichtje te veranderen, dat achter zijn broertje aan naar beneden zakte. Ik was een en al opwinding, de lichtgranaten wierpen een spookachtig bleek licht op het schip en op de gezichten van de mensen aan dek, het schip draaide nu langzaam bakboord uit en ik hoorde de commandant roepen „Vuur openen". Waarop?" dacht ik en ik keek nog eens nauwkeurig naar het verlichte gedeelte van de kim en ja hoor, daar zag ik twee bleke streepjes, waar plotseling een paar fel witte vlammetjes uit schoten. „Vijand heeft vuur geopend" hoorde ik op hetzelfde moment de officier van artillerie praaien. Even later ontsproten plotseling schuin boven ons schip een stelletje parachutelichten, de vijand was dus kennelijk bezig om ons te verlichten. Ondertussen was de Tromp reeds aan het vuren, dit werd - aangezien het een oefening was - aangegeven door vuurseinen met de seinzoeklichten, die op de vijand waren gericht. „Pang, pang" hoorde ik boven ons en op hetzelfde moment baadden we in een zee van licht. Vier lampions hingen boven het schip. Ik zag dat de Tromp weer koers ging veranderen en dat er een nevelgordijn werd gelegd, bovendien braakte de schoorsteen nu ook dikke wolken witte rook uit, waarachter het schip geheel schuil ging.. „Ha,” dacht ik, „wat zal de chef van de wacht in de vetput een lol hebben, nu mag hij eindelijk eens wel rook maken!" In de kaartenkamer had de chef het druk met het uitdelen van schade. Van de Tromp viel een ketelruim uit plus de hele hoofdbatterij en de divisiecommandant van de fregatten verhuisde naar de eeuwige jachtvelden, met zijn schip.

„Hoe zou de werkelijkheid zijn?" dacht ik. Hier en daar branden, zich in het zweet werkende SBD-ploegen, gillende gewonden, lekke stoomleidingen enz. en onwillekeurig gingen mijn gedachten naar die sobere koperen gedenkplaten, die in havens altijd netjes opgepoetst aan de wanden van het achterdekhuis worden opgehangen. Hoeveel ellende, trots, glorie, enfin, wat voor mengelmoes van alles zit er achter die koperen gedenkplaten verborgen? „Ga uit de kinken Lucky!" werd me plotseling toegeroepen; ik schrok op uit m'n gepeins en sprong opzij voor een aantal lieden die een „gewonde" op een. stretcher naar de ziekenboeg zeulden. Plotseling flapten de lichten weer aan. „Oefening geëindigd," werd er op de brug geroepen en de man aan de TBS gaf dit sein door aan onze ex-vijand, waar plotseling ook de lichtjes weer aan floepten. Vredig sloot het stel fregatten zich achter ons aan; we waren als een stelletje vrindjes, die moe van het spel, gezamenlijk weer huis toe gingen . . . .

's Middags 13.30 uur.

De zon brandt op het achterdek, de Tromp baant zich alleen een weg door de Oostzee.

Doodse stilte heerst alom, iedereen maakt zijn middag piepslag, het tentdek ligt vol van lui die in de zon liggen te bakken.

Het enige geluid dat de stilte verbreekt is het schuren van het zware steenblok, dat ik aan een touw om mijn nek voortsleep, over de planken van het dek. „Sjonge, dat valt niet mee zo'n strafdienst"' Vier vierkante meter moest ik blank schuren, „en pas op als je heilige dagen laat" had de bootsman gezegd, „want dan mag je het nog eens dunnetjes overdoen." En zo dribbel ik moeizaam heen en weer op mijn korte pootjes, het zware blok achter mij aan. De drie andere gestraften zorgen voor water en zand en zijn bezig met stukjes glas de laatste olie- en verfvlekjes uit te krabben. Zo af en toe komt de onderofficier van de wacht even om de hoek van het dekhuis kijken of we nog wel werken.  Eindelijk klinken er vier glazen. De De korporaal van de wacht komt aangeschreden en maakt het steenblok los, vervolgens marcheert hij ons af naar de de midscheeps. Daar is het inrukken, een handeling die ik nog niet volkomen meester ben. De rest van de middag heb ik besteed aan mijzelf, om me eens helemaal op te knappen voor Stockholm. Om drie uur had ik

met de barbier afgesproken en prompt op tijd stond ik bij de deur van zijn hut. De vorige klant was net klaar, dus ik sprong in de stoel en liet mij eens heerlijk trimmen. Ik vind de barbiershut een van de prettigste plaatsen aan boord. Het is er rustig en het ruikt er lekker. Ja, die barbiers hebben het nog zo gek niet in de navy, want 's avonds slaan zij hun tampatje in hun hut op en liggen heerlijk rustig; in feite hebben zij een privéhut met vaste wastafel. Ik liet me ook nog een friction aanmeten, om vooral mijn nekspieren weer eens lekker los te maken, die waren namelijk wat stijf geworden van het psalmen zingen. Na een uurtje was de barbier klaar, ik keek eens in 3e spiegel en vond mezelf toch wel een soort heer. Mijn borstelige wenkbrauwen waren iets bijgeknipt en daaronder blonken guitig mijn. . . .diepbruine ogen.  Mijn oren waren kaarsrecht en mijn vacht was lekker ruig, kortom ik voelde mij .als een „jonge god in opleiding". Van de kapper vertrok ik naar de schoenmaker, die een mooie halsbandvoor me had gemaakt, speciaal om de wal op te gaan.

 

Tenslotte moest ik nog naar de secretaris om mijn portie kronen in ontvangst te nemen, zorgvuldig werden ze voor me uitgeteld; toch wel een verantwoordelijke functie voor zo'n man, dacht ik, als maar op al dat geld te moeten letten, geen wonder dat hij er zorgelijk uitziet en al kaal begint te worden.  Ondertussen hoorde ik het fluitje van de schipper;

vast werken!

Zie zo, die middag was ook al weer om, nu nog een warm bad nemen en dan is alles kits en fijn voor Stockholm.

Whoopee ! !_ !

 

 . . .De portie kronen . . .

Schrijf een bericht in het Nautenboek
Bekijk hier mijn Nautenboek