NAAR DE WEST

ENIGSZINS overweldigd door al het vreemde om mij heen zit ik beduusd rondte kijken in de wachtzaal van de intercontinentale lijnen op Schiphol.

De laatste dagen zijn bijzonder druk en rommelig geweest; er is ook zo veel dat je in orde moet maken.

Het aantal injecties dat ik heb gehad ben ik allang vergeten, maar te oordelen naar mijn internationale vaccinatiebewijs, zijn het er heel wat. En ziek dat je van die rommel wordt! De laatste keer bij de dokter hoorde ik een patiënt, die met een botte naald werd geholpen, kreunen: „Geef mij maar typhus" Verder heb ik de benen uit mijn lijf gelopen bij allerlei instanties om aan te tonen, dat ik aan mijn belastingplichten heb voldaan; alles werd minutieus onderzocht, alsof er nog heel wat is te halen van een scheepshond en dan nog wel een scheepshond bij de Marine!!

Mijn bewijs van goed gedrag van de politie heeft me de meeste moeilijkheden bezorgd, want ik kreeg toevallig te doen met de agent die ik indertijd in de buurt van „het Jagertje" onheus heb bejegend. Niet dan, nadat ik hem een afschuwelijk verhaal had opgehangen van de poffen die de Navy mij had gegeven voor alle rampzalige gevolgen van dat vergrijp, was hij te vermurwen om mij het bewijs te geven.

Op het belastingkantoor moest ik nog het langst wachten. Daar kwam ik eerst in een stampvolle wachtkamer terecht. Een miezerig oud portiertje troonde bij de ingang en gaf mij een stukje blik waar een nummer in was geslagen, hij keek hierbij alsof hij wilde zeggen: „alles mijn eigen werk" en mompelde tussen z'n dunne lippen zoiets van „en nu maar wachten". En wachten deed ik!! Uit verveling begon ik het interieur eens te bestuderen. Ter opvrolijking van de wachtende menigte hingen aan de binnenmuur afkondigingen van faillissementen, verder natuurlijk de onvermijdelijke kalender, gemaakt door gevangenen. Boven het hoofd van de portier hing een schelverklikkerdoos, of hoe noem je zo'n ding. Juist op dat moment zoemde er iets in het diepst van het mechanisme en een nummertje viel voor een der ronde ruitjes: elf! De portier hief met een nijdig rukje zijn hoofd omhoog, waarbij hij onmiskenbaar zijn mannelijkheid openbaarde door een bultige adamsappel vlak boven zijn vale boordje. Met een rukje ging zijn hoofd weer naar beneden en zijn waterige blauwe oogjes tastten snel de menigte af.

„Nummer zes en dertig, naar kamer elf alsjeblieft!" piepte hij (mijn nummer was zeven en vijftig) en. hij grijnsde kwaadaardig. „Zeker de gaskamer", dacht ik. Ondertussen maakte nummer zes en dertig zich los uit de menigte - een juffer die kennelijk alle hoop op het huwelijk had laten varen - met neergeslagen ogen en toegenepen mond verliet ze de kamer. De portier wreef zich eens in de handen van: „ziezo, dat heb ik weer eens netjes gefikst" en wendde zich tot een nieuwe klant, die een briefje in de hand had. - „O, meneer u bent verkeerd", kraaide hij triomfantelijk, „met dat papier mot u op het Spui weze, hè hé hè hè hè hè!"

De meneer in kwestie zwol lichtelijk op en verdween om zich naar het andere einde van Den Haag te begeven met behulp van een der bliksemsnelle busdiensten waar deze stad zo ruk aan is (en waar je nooit op hoeft `te wachten!) De rest van de tijd bracht ik zoek door naar een allerliefst kind te kijken, dat als een frisse bloem in deze rouwkamer prijkte; toch wel leuk die jeugd van om en bij de twintig.

Na een slordige drie kwartier was het mijn beurt voor kamer elf; toen ik daar binnenkwam zag ik, dat dat een andere wachtkamer was. „Will Mr. Lucky Joseph, K.L.M. passenger for Curacao please report to the ground stewardess!" galmt een melodieuze vrouwenstem door het restaurant. '

Ik schrik wakker uit mijn overpeinzingen, pik mijn K.L.M.-tasje op waar al mijn

reispaperassen inzitten en dribbel naar de grond-stewardess, die met een liefelijke visiteglimlach

op het gelaat, achter een soort toonbank troont aan het eind van de zaal.

„Wat is er van uw dienst, juffrouw?" Een heer van de Marine staat bij de douane hij wenst u te spreken; gut ik dacht dat u Engels was", kirde ze. Moeizaam wring ik mij door het cordon wachtenden bij het douane-hek en wordt daar aangeklampt door een boze commies, werkzaam bij de Marinekazerne Amsterdam, die mij vertelt, dat ik mijn

legitimatiebewijs van de Nederlandse Spoorwegen nog niet heb ingeleverd. Och heden, ook dat nog. Helaas heb ik het ding ingepakt in mijn hutkoffer die nu ergens in een pakhuis staat van de K.N.S.M. Ik leg de commies de zaak uit en hij schijnt het te begrijpen want hij knikt bevredigd en verdwijnt.

Die Nederlandse Spoorwegen weten ook wat ingewikkeld is! Vroeger mocht je op je Marinelegitimatiebewijs halve prijs reizen; dat was niet goed genoeg, dus kregen we een apart legitimatiebewijs voor de Spoorwegen. Kennelijk is ook dat niet voldoende voor hem, want volgens de laatste bekendmakingen moet je bovendien je Marine- legitimatiebewijs desgevraagd tonen; vandaag of morgen zullen paspoort en geboorteacte wel volgen! Ik ga weer naar de wachtkamer en wil rustig gaan zitten om een kopje koffie te drinken, maar daar komt niets van in, want de luidspreker begint weer: „Wilt K.L.M. passengers for Prestwick, Gander, Montreal, Havana and Curacao please proceed to the aircraft and show their tickets at the entrance".

Met een slag is de wachtkamer in rep en roer, jassen worden aangeschoten, obers rennen op en neer om nog gauw even af te rekenen, wegbrengers worden zenuwachtig, een paar kinderen gaan gillen en te midden van dit alles trek ik mijn halsband recht, grijp mijn K.L.M.tasje en baan me een weg naar

de deur. Er blijkt nog een hond te zijn die meereist en o schrik, hij wordt door een der stewards gepakt en in een mandje gedaan met het etiket „Montreal" erop, vervolgens wordt hij in het bagageruim gedragen.

Ik doe net of m'n neus bloedt en loop rustig met de stroom mee over het platform naar ons vliegtuig, dat als een grote glinsterende libel in het schemerduister op ons staat te wachten. Tot mijn vreugde merk ik, dat ik niet de enige Marineklant ben, want ik ontdek achter mij Suikeroom,

gewapend met vrouw en kinderen en tasjes en een eind verderop nog iemand, die ik in mijn korte maar hevige marineloopbaan heb leren kennen. Plotseling word ik door zo'n onverlaat met een K.L.M.-pet op in de kraag gepakt en van de grond getild.

Ik protesteer woedend, want kennelijk moet ik ook in een kooitje, en pas nadat suikeroom te hulp komt en ik mijn reis opdracht laat lezen, geeft de vent het op en ongestoord wandel ik de trap op, minzaam buigend tegen de twee stewardessen, bij de ingang duik ik de cabine in en zoek de plaats die op mijn ticket staat vermeld. Ik blijk helemaal achteraan te zitten aan bakboord, vlak bij de deur. Langzaam begint de cabine zich te vullen; jassen worden uitgetrokken, hoeden weggeborgen en de stewards rennen op en neer om alles in het piepkleine vestiaire-tje te stuwen. Door mijn raampje zie ik buiten de wachtende menigte naar het vliegtuig turen, sommigen, zwaaien nog ietwat verwezen met zakdoeken, anderen houden hun hoeden vast waar de

Hollandse wind aan rukt; zo af en toe striemen een paar regenvlagen tegen mijn ruitje en het platform glinstert van de nattigheid. Opeens hoor ik een kreunend geluid en ik zie dat een der schroeven langzaam wordt rond getornd.

„Bluts bam boem", zegt de motor, een dot blauwe rook en een paar vlammen schieten uit de uitlaten, en de schroef schiet snel in het rond, nog even stribbelt de motor tegen om daarna smeuïg door te blijven blukkeren.

“Kijk Keesie", roept een dikke moeder, die aan de overzijde van het gangpad zit, „z'n molens beginnen te draaien".

Keesie, het lieve jong, dat bezig is om z'n speelgoed in het ,gangpad te gooien - zeer tot ongenoegen van de stewardess - houd op met deze bezigheid, gaat op z'n stoel staan en kijkt naar buiten, waarbij hij z'n hand legt op het kale hoofd van de deftige meneer, die voor hem zit. De meneer kijkt verstoord om en mompelt iets over: „die kinderen van tegenwoordig" en „ouders die niet opletten". Al spoedig zijn de vier motoren op gang gebracht en de cabinedeur wordt gesloten. Ik sjor de veiligheidsgordel om mijn buik en kijk naar buiten; met een zacht schokje beginnen we te rollen, de gebouwen draaien uit het gezicht en enige tijd later staan we aan het begin van de startbaan.

Geleidelijk gaat het blukkeren der motoren over in een dof gebrul dat onze „Connie" in al haar ledematen doet trillen en met bruut geweld wordt haar slanke lijf voortgesleurd, de startbaan over, steeds sneller. gaat het, de gebouwen flitsen voorbij, nog één bons en we zijn los, het luchtruim in. Ik zie hoe Connie netjes haar poten opvouwt en zich in de bocht legt, het gebrul der motoren neemt iets af en gaat over in een sonoor gezoem. Het verlichte bordje “No smoking. Faxten your seat belts" floept uit. Ik gooi mijn „belt" los en draai me een paar maal op m'n stoel om, totdat ik de „goede lig" heb gevonden. Met een zucht val ik in slaap, na al deze emoties ......

Iemand tikt me op de schouder.

Langzaam rijs ik uit de diepten van mijn onderbewustzijn op en ik staar verwezen in het gezicht van de steward, die mij een bakje koffie aanbied, met de mededeling, dat we over een half uur op Prestwick zullen landen Ik kijk uit het raampje, maar zie totaal niets. Het gezoem der motoren neemt af en na enige tijd beginnen mijn oren te knappen; we dalen. Een paar witte flarden schieten langs het raampje en op hetzelfde moment krijgt Connie een aantal opduvels, dit gaat gepaard met een gek gevoel in de maagstreek. Op dat ' moment floept het bordje „Fasten your seat belts" weer aan. We krijgen nog meer opduvels en ik zie diverse lieden haastig naar het „zakje luchtziekte" grijpen om vervolgens te offeren. Het is een onbenullig gezicht om iemand in zo'n zakje bezig te zien, het ziet er namelijk helemaal niet naar uit dat er wordt overgegeven, het lijkt net alsof ze in dat zakje een lief klein muisje hebben zitten waartegen ze liefkozend praten van „toe dan maar lieverd, zoete muis hoor! Straks zal baasje je te eten geven en nu moet 'ie kleine poeteletoet zoet slapies gaan doen!" De stewards krijgen het bijzonder druk en rennen vlijtig met de zakjes gratis K.L.M. avondmaal naar de bussen met afval. Door mijn raampje zie ik dat we door de laag wolken heen zijn en onder mij zie ik verlichte straten met speelgoed auto's. Een eind verder een dubbele rij oranje lampions; de startbaan. Ik voel een bons en ontwaar dat de wielen zijn uitgedraaid, even later volgen de vleugelklappen. De grond onder me komt dichterbij en begint steeds sneller langs te schuiven, het geronk der motoren neemt plotseling af, steeds sneller gaat de grond, ik zie nu voorwerpen langs schieten, weg, huis, schoorsteen, boom, weg, struiken, lichtjes, oranje lichtjes, ritsen voorbij en met een jank pakken de wielen de startbaan. Langzaam raakt de vaart uit het toestel en we draaien om, de steward rukt de deur open en een schot koude nachtlucht blaast de cabine binnen, een verlossing na de duffe mensengeur.

Over de rugleuning van mijn stoel kan ik naar buiten kijken, genoegelijk blukkeren de motoren ons naar het platform, waar ze na nog een paar sputters de geest geven. Ik hoor plotseling de doodse stilte om mijn heen. Haastig sla ik een halsdoek om en duik de trap af waar een manspersoon ons opwacht

en naar het restaurant begeleid.

„Prestwick airport Hotel welcomes you and invites you for supper", staat op elk tafeltje te lezen. Het supper valt evenwel erg tegen, evenals de koffie met niet genoeg suiker en onwillekeurig denk ik aan Churchill die eens verachtelijk tegen de socialisten sprak over „the equality of misory" die ze hadden

bereikt. Het duurt lang voordat we eindelijk weer naar het vliegtuig worden geloodst voor de sprong over de oceaan.

Als we goed en wel los zijn worden we „klaargemaakt voor de nacht" en dat wordt tijd ook, want het is twee uur en iedereen tolt van rle slaap (dit vindt men niet bij het doorbladeren van de K.L.M: boekjes). Alle lichten worden uitgedraaid en de stoelen achterovergezet en langzamerhand dut iedereen in. Mijn slaap is evenwel niet van lange duur, want twee uur later word ik wreed gestoord door een meisje van een jaar of vier, dat het nodig vind om bij

me op de bank te klimmen. Ik doe vreselijk onvriendelijk, waarop ze het gangpad weer door hobbelt, daarbij diverse andere passagiers stotend. Ik probeer opnieuw te dutten, maar mis hoor, een baby in haar reismand begint te krijsen en vindt, dat het tijd van schaften is. Mama is kennelijk te vast in slaap, dus het wordt nu een wedstrijd tussen haar en de baby. Als er zo langzamerhand wat meer lieden wakker zijn, ontwaakt mama eindelijk, haalt baby uit het mandje en grijpt de fles. Met voldoening hoor ik, dat het gekrijs overgaat in een enthousiast gezuig. Maar helaas is een andere kleuter ook wakker geworden en waggelt nu door het gangpad onder het murmelen van de woorden: „Mama, ba doen!" Hij weet kennelijk niet waar z'n mama zit en bonst tegen suikeroom aan die twee plaatsen voor mij zit aan de andere kant van het gangpad en wakker schrikt, waarbij hij iets mompelt over „rotkinderen" en „stop ze in het bagageruim”. Zo worstelen we de nacht door, de stoel wordt me een obsessie en ik kruip er voorzichtig uit om me eens even heerlijk te rekken in het gangpad. Ook daar blijf ik niet lang, want de kleuter die door de stewardess is geholpen wil met me spelen en gooit me met een bal. In de stoel maar weer! Uit verveeldheid blader ik in een. blaadje over toerisme in Zuid-Afrika, dat in de zak van de rugleuning voor mij zit. Ik schiet in een lach over een prentje van de „veilig verkeer propaganda" waarop gestroomlijnde blondines in een auto zijn afgebeeld. Die aan het stuur vraagt de ander: „Laat jij 'n man toe om jou te soen, als hij bestuur?" Waarop de andere antwoordt: „Nee, as hij veilig wil bestuur, kan hij nie genoeg aandag aan die Boen skenk nie!" Voorwaar een goede variant op onze veiligverkeersleuzen. Van het lezen word ik slaperig en ik dommel voor de derde keer in...

De zon maakt me wakker, onder me zie ik water, niets dan water. De wolken zijn verdwenen en het is zo vanuit de lucht te zien mooi weer. Plotseling zie ik de lui aan stuurboord allemaal geïnteresseerd naar buiten kijken, ik spring op de lege stoel van de stewardess en ontwaar een ijsberg, verder zie ik

aan de kim een zwart streepje: New Foundland! Een eigenaardige gewaarwording maakt zich van mij meester. Ik voel me losgescheurd van Europa, dat goede doch geteisterde oude werelddeel. Wat daar aankomt is nieuw, andere mensen met andere ideeën, die alles vanuit een geheel ander gezichtspunt

bekijken dan wij in de oude wereld. Langzaam schuift de kust naderbij en na een half uur vliegen we boven een gerafelde kustlijn met veel grillige inhammen, een vrij kale rotsachtige bodem en een eenzame vuurtoren. Een uur later landen we op Gander. Er waait een pittige frisse wind over het

vliegveld waar hier en daar hopen sneeuw op liggen. We hebben nauwelijks de tijd om een kop koffie te drinken in de wachtzaal; men tracht kennelijk onze vertraging in te halen, veroorzaakt door de tegenwind over de oceaan.

Ook in Montreal blijven we maar even en bij het invallen van de duisternis zijn de wielen al weer los en vangen we de tweede grote ruk aan dwars over het kustgebied van de Verenigde Staten. Er is nu heel wat meer loos dan de vorige nacht over de Oceaan. Overal zijn steden te zien met opeenhopingen

van felgekleurde neonlichten, verbonden door een netwerk van verlichte wegen. Tegen elf uur wordt er eindelijk gewaarschuwd dat we gaan landen in Havana.

Voor mijn ogen ontrolt zich een verleidelijk schouwspel. Honderden nachtclubs wenken met hun neonreclames in de lucht, alsof ze willen zeggen: „Stap uit en blijf, want het is hier fijne bullen". We scheren in een mooie bocht naar de startbaan en landen zo zachtjes, dat het wel lijkt alsof de piloot de Cubaanse grond wil zoenen. Als even later het luik wordt opengegooid dringt een zwoele atmosfeer de cabine binnen. Een lange Cubaan met vlammende ogen en schuin afgeschoren bakkebaarden komt binnen en groet onze stewardess met een: „Allegro muchisseino de var. Anniequita mia!"

„Buenos notches Pedro", antwoord de stewardess en ze kijkt de man eens diep in z'n ogen. Ze is zichtbaar opgewonden en heeft Pedro kennelijk al eens eerder ontmoet. Als ik het trapje afga merk ik dat ik zowaar een beetje ga transpireren. De zwoele nachtwind waait een heet soort muziek naar ons toe, die wordt uitgestoten door een luidspreker op de bovenverdieping van het stationsgebouw. We mogen niet zo maar doorlopen als op andere vliegvelden, doch moeten eerst langs een donker uitziende dokter in een hagelwitte jas en met een enorme uilenbril op. Hij doet erg belangrijk en bekijkt ons alsof we slachtvee zijn; we moeten voor het eerst onze internationale vaccinatiebewijzen tonen. Hierna worden we door een Spaans uitziend meisje dat allerbevalligst heupwiegelt naar het restaurant gebracht.

De muziek brult nog steeds door en het terras is stampvol met senorita's en hunne caballeros. Iedereen draagt hier het minimum aan kleren, de senoritas zijn in kleurige dunne jurkjes en de caballeros in bizarre hemden die uit de broek hangen. Alles doet hier romantisch aan, tot zelfs de namen van de luchtvaartmaatschappijen, zoals bijvoorbeeld de ,.Aerolineas National Venezolanos". Ik word opgewonden bij het zien van al deze nieuwe dingen, ondertussen gonst die muziek me nog steeds in de oren. Een smeltende stem zingt: , Yo te quireo mui mui mucho..." en uit de intonatie valt op te maken, dat de juffrouw in kwestie inderdaad heftige verlangens koestert. Wat zal dat worden in Curaçao? Vier uur 's ochtends. De steward deelt mede, dat we over een half uur landen op Hato.

Eindelijk is deze reis voorbij, ik heb de afgelopen nacht in een onafgebroken zitkramp doorgebracht en mijn verlangen naar ruimte om me te kunnen bewegen begint langzaam over te gaan in een obsessie.

Uit mijn raampje zie ik een aantal lichtjes opdoemen aan de kim, waaronder een luchtvaartlicht, dat zijn straal snel in het rond wentel. „Dat is het bakenlicht van Hato", hoor ik een der passagiers zeggen, die kennelijk al eens eerder hier is geweest. Een eind verder is een roze vuurgloed te zien vanwaar uit een enorme rookmassa zich traag voortwentelt, vlak daarnaast vele lichtjes als van een aantal wolkenkrabbers. „Dat is de raffinaderij van de C.P.I.M., de Curagaose Petroleum Industrie Maatschappij, met haar eeuwige vuren", vertelt de veteraan, „bepaalde woonwijken, waaronder Maschena, liggen het hele jaar door in die rookwalm". We gaan in een linkerbocht en ik zie nu ook vlak aan zee de startbaan liggen. In het Oosten begint het al iets lichter te worden, zodat ik een paar silhouetten van heuvels kan onderscheiden, het vliegtuig zakt steeds verder en eindelijk raken we Curaçaos bodem.

Als de deur van de cabine opengaat, schrik ik me een puist, een vettige, bloedhete lucht dringt naar binnen, het lijkt wel een oliebad. Vermoeid en stuf strompelen we naar buiten. Het is een droevig gezicht, we loken net een stelletje zielige emigranten, met gezichten die grauw zijn van de slaap en

met verkreukelde en vuile kleren. Wat een overgang! Ik moet even denken aan de vele malen dat ik kankerde op de Hollandse koude, maar nu snak ik er

naar!

Op het terras staan vele wachtende, het duurt niet lang of kreten van heren. Ik zie ook een stel lui van de Marine staan; een stelletje officieren, een tweetal onderofficieren en een „manschap". Ze zien er zo grappig uit, ze hebben allen witte speelpakjes aan, een tenue bestaande uit witte blouse, witte korte broek, sportkousen en schoenen. Later hoor ik dat dat hier in de wandeling „kort wit" heet.

In ieder geval staat het echt jeugdig. We mogen niet direct naar onze afhalers, maar moeten achter een glazen schot wachten, totdat we worden afgeroepen om bij de „vreemdelingendienst" te komen. De

„vreemdelingendienst" bestaat uit een toonbank, waarachter een drietal „landskinderen" troont. Ik sta nu voor een van die landskinderen, die mijn reispapieren doorkijkt. „Hoe heet u?" vraagt hij.„Dat staat op m'n reisorder en m'n paspoort", zeg ik. Hij bladert alles nog eens door en zet een groot stempel op mijn paspoort.

Nu moet ik door naar de douane. Daar wachten we ontzettend lang tot eindelijk onze bagage is uitgestald op de lage en lange toonbanken, waarna een ander landskind alles laat ontsluiten en hier en daar de zaak inspecteert. Het zweet loopt me met straaltjes langs m'n lijf en ik doe een schietgebedje,

dat deze laatste kwelling toch gauw mag zijn afgelopen. Eindelijk is het zover, moeizaam sleep ik mijn plunjezak met me mee en stap naar de Marineklanten toe, die er zo heerlijk koel uitzien in hun witte pakjes. Suikeroom is er ook reeds met z'n aanhang. Hij krijgt mij in de gaten en vraagt aan een der afhalende officieren „of dat kleine stukje afval ook mee mag in de auto", waarop gelukkig bevestigend wordt geantwoord. Het eerste wat ik zie buiten het stationsgebouw is een levensgrote wegwijzer waarop onder andere staat „Amsterdam 6500 km". Verder staat het plein voor het stationsgebouw vol met grote glanzende auto's. „Dat zijn zeker schaal 161 auto's", zegt Suikeroom. Ik informeer nieuwsgierig wat schaal 161 is en verneem, dat het te maken heeft met de vermenigvuldigingsfactor van het salaris; die hier iets hoger schijnt te zijn dan in Holland. Ondertussen worden de koffers in een der auto's gestuwd en wij stappen in een andere slee, die zich geruisloos in beweging zet en weldra met gezwinde vaart over de weg snelt. Het is zo langzamerhand licht geworden en ik kan nu het landschap eens goed opnemen.

We rijden door lage heuvels, begroeid met struiken en cactussen en bevolkt met geiten, die in dit land „cabrieten" heten. Waar of je ook in Curaçao rijdt, overal zie je cabrieten, ze leven in het wild, maar als je er een dood rijdt dan kan je er zeker van zijn, dat er een of andere neger onder luid nusbaàr komt aanhollen die beweert dat het de zijne is, of beter gezegd was. Cactussen zijn er legio en in soorten. Een bepaalde soort die vol met stekels zit wordt „Spanish Lady" genoemd, men beweert dat daar de uitdrukking van stamt: „beware of the Spanish Ladys". We rijden nu een helling op en zien links half verscholen achter het groen een soort nederzetting van kleine huisjes liggen. '

De bestuurder van onze auto ziet mijn blik en zegt: „Dat is Campo Allegre", een soort permanente kermis, .het is verboden voor de marineman". „O", zeg ik, „wat bijzonder verstandig" en neem me heimelijk voor om daar zo gauw mogelijk eens een kijkje te nemen. Het verkeer op de weg wordt zienderogen drukker, iedereen rost met grote vaart langs elkaar en het aantal kleine busjes is formidabel. Veel auto's hebben ook radio, hetgeen te zien is aan overdadig lange sprietantennes, waar dan bijna altijd molentjes, poppetjes en dergelijk fraais op zijn gemonteerd.

Het allerchicste is wel het voeren van een paar brutaal verchroomde extra claxons op de voorspatborden die dienen om het uiterlijk prestige en het lawaai te verhogen. Op een bordje langs de weg lees ik, dat we ons bevinden op de Franklin D. Rooseveltweg, we willen juist links afslaan, als ik een afdeling pantserwagens de weg af zie hollen. „Dat zijn de vuilniswagens van de stadsreinigingsdienst, ze gaan naar een plek aan de kust bij Hato, waar ze de rommel storten", zegt onze begeleider. Ze snorren langs en als de colonne eindelijk is gepasseerd en we links af kunnen, staat er achter ons al een

file auto's te wachten. „Dit kleine eiland barst van de auto's, het is een bijna even groot probleem als de fietsers in Holland", zegt de chauffeur. We beginnen nu kennelijk de bebouwde kom te naderen, want het aantal huisjes en hutjes die achteloos in het rond zijn geworpen, neemt zienderogen toe. De meeste hebben daken van rood geverfd gegolfd plaatijzer, verder staan er overal windmolens tussen, die het water uit de putten omhoog moeten pompen.

„Dit is allemaal nog koenoekoe", legt onze chauffeur uit, „hier wonen bijna overwegend negers en wat Portugezen. De „koenoekoe" is de onbebouwde grond buiten de stad en de woonwijken. We zijn nu over een heuvel gereden en dalen weer, zodat we een mooi uitzicht voor ons hebben op het Schottegat en de CPIM raffinaderij. Even later slaan we weer links af en rijden nu op een vrij brede weg; de Schottegatweg, die het Schottegat als het ware omvat. Na een kwartier rijden slaan we rechtsaf de Pareraweg in en even later. stopt de auto voor het hek van de Marinebasis Parera. „Nou Lucky, hier zullen we je afzetten", zegt de chauffeur, „haal je plunjezak maar even uit de achterbak, dan ga ik daarna de anderen naar de Pasanggrahan brengen". Ik ben te vermoeid om te vragen wat of de Passanggrahan nu weer voor een ding is, sleur mijn plunjezak voorgaats aan het rijgtouw tussen mijn tanden en sukkel zo de basis binnen. Het wachtgebouw is gelukkig vlak bij het hek, zodat ik het nog haal, bij de onderofficier van de wacht gekomen ga ik opzitten en zeg:

„Scheepshond eerste klas Lucky Joseph meldt zich bootsman." „Plaats rust, Lucky." Ik zak ineen.

„Wat wilde je het eerst gaan doen?", vraagt de bootsman, „het is vandaag Zaterdagse dienst en het.

heeft weinig zin om je nu met het rondebriefje te sturen." „Snurken boots", antwoord ik. „Oké Lucky,

je mand staat in de achterkamer van dit gebouwtje". Ik ga af, vind de mand en val daarin neer als een

zak aardappelen ......

Home
Schrijf een bericht in het Nautenboek
Bekijk hier mijn Nautenboek