Eerste indrukken uit de West

DE vrolijke tonen van het „overal" rukken mij uit Orpheus' armen.

Met frisse tegenzin stap ik uit mijn nest, ik voel me loom en zwaar en heb een dof gevoel in m'n achterhoofd. Het is vreselijk warm en mijn eerste gang is dan ook naar de douche, waar ik me met wellust kletsnat laat worden. Na mijn bad scharrel ik wat ontbijt op langs de bakken en ga vervolgens op verkenning uit; ik ben echt nieuwsgierig om nu eindelijk eens die marinebasis Parera, waar ik zo vaak over heb horen praten, met eigen ogen te aanschouwen. Naast het plein staat een kantoorgebouw en het eerste wat daar mijn aandacht trekt is een soort schoolbord, waarop met grote letters staat geschreven:

„BENAS" en OBANAS".

Het is me een donkerbruin raadsel wat dat voor dingen zijn. Denkend aan die heerlijke zuidvruchten „bananas" en ,ananas", concludeer ik, dat het wel iets met vruchten te maken zal hebben en ik loop langzaam door, zachtjes, het bekende wijsje neuriënd van: “And yes, I have no OBANAS, I have no OBANAS to day “. Ik licht mijn poot bij een cactus, maar bedenk me schielijk, want die stekels zo vlak bij mijn buikje staan me niet aan. Op dat moment klinkt er een strenge stem achter me: „Wat doe je daar en wie ben je!"

Ik schrik me een hoedje en ontwaar een streng uitziende LTZ I, met een buik vol dienstjaren, die in de deur staat waarboven de woorden „Eerste Officier" prijken. „Pech gehad, Lucky,," denk ik. “Ik heet Lucky Joseph en was bezig de planten water te geven," zeg ik. „Geen grapjes Joseph, het is hier een modelinrichting en die losse scheepsmanieren houd je maar voor je!" „Jawel, meneer." „Tot nu toe hebben we geen scheepshonden met een walplaatsing gehad in de Antillen," vervolgt de eerste officier, „maar ik zal met CMRA bespreken, dat we in de OBANAS of BENAS richtlijnen opnemen

ten aanzien van het gedrag van scheepshonden met een walplaatsing binnen de keerkringen.”

„Wat zijn OBANAS en BENAS meneer?" (Ik vind dit een uitstekende afleidingsmanoeuvre). OBANAS zijn Orders van Blijvende Aard Nederlandse Antillen en BENAS zijn Bekendmakingen Nederlandse Antillen"!

„Wat knap gevonden, meneer!" Het is niet aan jou te beoordelen of dat al of niet knap is!"

„Jawel meneer."

„Heb je een gezin?" Voor zover ik weet niet, meneer!" „Zo, hm, wat was je laatste plaatsing?" „Smaldeel vijf, bij de staf, meneer." „Dat klinkt erg weelderig, wat deed je daar?" „Ik was speciale ordonnans tussen brug, radio en staf tijdens het gevecht en voorts duvelstoejager van de stafofficieren;

men noemde mij vaak het scheepssletje!"

Zo, ik zal met de commandant bespreken wat je werkkring hier zal worden; ga vandaag maar eerst met het rondebriefje, langs alle bureaus en zorg dat je je verder installeert en dat je tropenuitrusting in orde is?" „Jawel, meneer." Hiermede is het onderhoud geëindigd; gelukkig ik zag me al in het

vlaggeboek staan, maar dank zij mijn afleidingsmanoeuvre ben ik daar vrij van gesloft. Ik slenter verder. Alles ziet er hier inderdaad keurig uit. De wegen zijn netjes onderhouden en de perken afgezet met witte stenen.

De gebouwen zijn laag en hebben veel ramen met verstelbare ingebouwde shutters en daken met een ver overhangende rand. Als je de poort binnenkomt (of beter gezegd binnenrijdt want lopen wordt hier als intens burgerlijk beschouwd), dan heb je aan je rechterhand het wachthuis, met daarachter de

schoenmaker, kleermaker, barbier en een parkeerplaatsje ,voor auto's. Aan je linkerhand liggen het transportbureau en de garages en recht voor je is een plein, met rechts steil omhoog een weg, die zich in tweeën splitst, links naar het onderofficiersgebouw en rechts naar het officiersgebouw. Deze beide gebouwen staan op een heuvel, waardoor ze ongeveer vijftien meter hoger liggen dan het plein. Aan de linkerkant van het plein staat het kantoorgebouw met dat mooie bord van de OBANAS en BENAS.

Boze tongen beweren, dat dit bord speciaal is neergehangen vanwege de opkomst zijnde inspectie CMRA, die als een dreigende (doch figuurlijke) donderwolk boven de basis hangt. Opeens trekt het getjilp van morsetekens mijn aandacht; ze komen vanuit de linkervleugel van het kantoorgebouw. Ik ga er heen en bestreed het verbindingsbureau van de basis. Het ziet er een stuk eenvoudiger uit dan aan boord van de Tromp, maar het is veel ruimer. Achter het verbindingsbureau is het kantoor van de SOVA. Dit is geen nieuwe spelling voor Sofa, waarde lezers, het is daarentegen de afkorting voor.

stafofficier verbindingen Antillen. Ik steek mijn neus om de hoek van de deur en zie daar tot mijn verrassing suikeroom staan te praten met iemand die alleen maar de oude SOVA kan zijn. „Ha, Lucky," zegt suikeroom; „je komt als geroepen, je moet met me mee naar Suriname!" „Ben je nou klaar," kreun ik, „ik heb nog doorgezeten billen van de afgelopen tocht." „Geeft niet, is goed voor je, je moet mijn tas met geheime papieren dragen en optreden als waakhond.

De reispaperassen worden al in orde gemaakt en Maandagochtend om half zes worden we met de auto gehaald!"

Zet hem op, in de Navy kan je alles verwachten! Overigens begin ik me snel met het idee te verzoenen, Suriname is immers een rijksdeel dat ik nog niet heb betreden en het is dus hoog tijd het eens te gaan bekijken.

„Ik moet om half elf, na de koffie, naar het Waterfort om me te melden bij CM214" vervolgt suikeroom zijn gesprek, „dan moet je mee, want dan kan je in één moeite door alle bijzonderheden opgeven bij de afdeling personeel voor onze reispapieren naar Paramaribo." „Jawel meneer."

Ik nam mijn congé en vervolg mijn tocht over het terrein van de basis. Ik begeef mij eerst naar de taris, want reeds in Holland vernam ik, dat je hier na aankomst twee maanden voorschot kan krijgen; ik krijg het ook inderdaad prompt uitbetaald. Verder deel ik met satanisch genoegen mede, dat mijn vliegtuig de keerkring passeerde tien minuten voor middernacht op 30 November, zodat ik oom Piet nog net een halve maand tropenkat uit de zak kan kloppen.

De taris lacht zuurzoet en moet bekennen, dat ik gelijk heb. Merkwaardige lui, die leden van het „witte korps", ze doen vaak als of ze alles uit hun eigen zak moeten betalen. „Met een intens voldaan gevoel en een zak vol ritselende „harde" guldens, verlaat ik het bureautje en ga op zoek naar het kledingmagazijn om mijn tropenuitrusting te voltooien. Vervolgens ga ik naar de barbier en laat mij - in verband met de temperatuur - zo kort mogelijk trimmen als ik met mijn waardigheid kan verenigen; alleen van mijn borstelige wenkbrauwen kan ik geen afstand doen.

Het is half elf voordat ik het weet en ik ben net op tijd bij het kantoorgebouw waar suikeroom en de SOVA reeds tn de auto zitten van laatstgenoemde. Weldra glijden we het hek van de basis uit en snellen via de Pareraweg stadwaarts. Wat een verschil met Holland. De wegen zijn tjokvol met auto's en autobusjes, de meeste bestuurd door negers met hoeden op. De enige lui die hier namelijk hoeden dragen zijn de negers, verder niemand. Na een helling af te zijn gereden en een paar keer links- en rechtsaf te zijn geslagen, komen we langs een water, dat volgens mededeling van de SOVA het „Waaigat" heet. Een eind verder liggen een massa zeilprauwen langs de kade gemeerd, volgeladen met vruchten en groenten; voor elke prauw zijn stalletjes opgeslagen, waarop alle koopwaar prakt. Dit is de De Ruiterkade, waar de Venezolaanse fruitprauwen meren, die dagelijks Curaçao aandoen, omdat hier

weinig vers fruit en groenten verkrijgbaar zijn. Drommen verdringen zich om de stalletjes, de meesten zijn negers, maar ook zijn er Curaçaose en Hollandse vrouwen te bespeuren. Een ieder lacht en kwebbelt om het hardst en steeds rijden de busjes af en aan om nieuwe klanten af te zetten en andere weer mee te nemen. De vrouwen lopen met een heupwiegelende gang en ze zwaaien wijd met hun armen als ze lopen, en hun jurkjes zijn vaak bijzonder dun vanwege de hitte (van het klimaat).

Bijna alle kerels dragen fantastisch gekleurde shirts die uit de broek hangen. Boven dit alles staat de Curaçaose zon, die haar verzengende stralen op dit tafereel werpt, zodat alle kleuren des te feller zijn en het azuur van de strak gespannen hemel pijn doet aan de ogen. Hier en daar, bij het passeren van

een bar, schiet een strot schetterende muziek naar buiten met datzelfde opwindende ritme dat ik in Cuba hoorde Oooh, doesji, doesj!, Bulaway, Oóoh, doesj!, doesj!, Bulaway, ......

Je kan het niet helpen, maar je heupen gaan vanzelf wiegen als je die liedjes hoort. We slaan nu links af bij het douanegebouw en rijden langs de handelskade. Asjemenou…….! Daar ligt me zo maar domweg een Scheveningse visser langs de kaai, alsof het zo hoort. SCH 177 staat in zijn zeilen.

SOVA vertelt, dat de eigenaar er niet zoveel zin meer in had in de Noordzee en toen dacht: laten we maar. eens bij Curaçao gaan vissen. Zo gezegd zo gedaan, dus meneer stak de Atlantische oceaan over en vangt hier nu plenty vis. Zo af en toe heeft hu moeilijkheden met de Venezolanen, want die hebben andere meetlattenvoor de drie-mijlsgrens dan wij; zo besluit SOVA zijn verhaal. Ik neem mij voor om die visser eens te bezoeken, hij moet wel mooie verhalen kunnen vertellen. We rijden langs een lange file auto's, die aan de rechterkant van de weg staan te wachten. „Die wachten tot de brug weer opengaat voor het verkeer," zegt SOVA. Ik zie nu de bekende „pontjesbrug",die met een vaartje aan het openzwaaien is. Aan de andere kant, of zoals ze hier zeggen: „Otrabanda", is het scharnier punt van de brug, die als een reusachtige deur naar binnen openzwaait. Wij rijden recht door langs de water kant, passeren het bruggehoofd en rijden op het gouvernementsplein, dat volgepropt staat met geparkeerde auto's. Dit is wel het leukste punt, dat ik tot nu toe heb aanschouwd. De Sint Annabaai heeft hier haar uitmonding in de Caribische Zee. De stadswijk op de Oostelijke oever, waar wij op rijden, heet Punda, en de overkant Otrabanda. Aan onze kant zie Ik recht voor ons de poort van het Waterfort, links het fort Amsterdam en aan de

overkant van het water ligt het Riffort. Op het fort Amsterdam waait een grote Hollandse vlag, met de drie witte ballen in de rode baan, waar een gouverneur recht op heeft, terwijl van de fortmuur van het waterfort eveneens de driekleur wappert.

Een loodsbootje hakkepoft nijdasserig naar buiten, een knots van een tanker tegemoet, die ligt te wachten om naar binnen te stomen. We zijn nu bij de poort van het Waterfort aangekomen, die door een schildwacht wordt geopend.

Hij stoot een dof gebrul uit als we langzaam naar binnenrijden (ik schrik me een hoedje); later hoor ik, dat dat moet betekenen “Officier aan boord"

Links, in het wachtgebouwtje, vliegen een stel mariniers in de houding en de wachtcommandant brengt de groet. Van de weeromstuit ga ik opzitten en breng met suikeroom en SOVA de militaire groet. „Tjonge, dat is hier model!" prevel ik. We stoppen op het fortpleintje en treden het commandementsgebouw binnen. Suikeroom en de SOVA gaan naar boven, de eerste om zijn opwachting bij CMRA te maken.

Ik neus eens rond en ontwaar een sergeant op een draaistoel achter een bureau. Daar hij er erg bleek uitziet, concludeer ik, dat het wel een sergeant schrijver zal zijn die ongetwijfeld wei iets van reispaperassen zal afweten. Ik heb inderdaad goed gegokt, hij is paai van de reispaperassen en fikst wonderlijk snel alles voor elkaar, zodat ik een kwartiertje later met K.L.M. tickets en reisorders weer de aftocht blaas.

De fortmuur trekt mijn aandacht en ik bestijg de steile trap, die omhoog leidt. Ietwat amechtig kom ik boven aan. Wat een muur! Hij is wel vijf meter dik met kantelen aan de waterkant. Ik ontdek dat je van hieruit in de kamers van de stafofficieren kan kijken; in de rechterkamer zie ik suikeroom in de

houding geperst staan tegenover een bureau, waarvan ik de bezitter net niet kan zien, maar ik neem aan, dat het wel CMRA zal zin. Een eind verder staat op de fortmuur een soort duiventil met een maatje er op, ik beklim nog een trap en bevind me nu op de omloop van de duiventil; van hieruit heb ik een pracht gezicht op de Caribische zee en de haveningang. De reusachtige tanker die ik daarnet zag; glijdt nu langzaam naderbij, hij ligt hoog op het water en komt hier kennelijk binnen om zich te voeden aan de nooit ledige boezem van de raffinaderij. Het kleine loodsbootje hobbelt mee, nu schiet de reusachtige steven voorbij .het Riffort aan de overkant, een paar seinvlaggen waaien vrolijk aan de seinwipper en ik hoor het gedempte bonken van de geweldige dieselmotoren in hei hart van het schip. De huizen aan de kade en de auto's op de weg zijn dwergachtig vergeleken bij dit monster dat

onverstoorbaar zijn logge lichaam naar binnen perst langs de pontjesbrug. De tanker salueert met de vlag, mijn ogen glijden automatisch naar de vlaggemast op de fortmuur. Daar is als bij toverslag een kerel verschenen, die de Nederlandse vlag half haalt en haar vervolgens weer voorhijst. Op de tanker - het is een Noor - wordt de vlag na het saluut ook weer voorgehesen. Een .gevoel van trots welt in me op, dat hier in deze tijd - duizenden kilometers van ons kikkerlandje - een Noorse tanker salueert voor het rood, wit en blauw, dat fier van de fortmuur wappert; en niet alleen die Noorse tanker, maar alle schepen die hier passeren, salueren. De paai van de vlag op de fortmuur verricht zijn werk met grote nauwkeurigheid; altijd is hij bij de hand, wanneer een schip salueert. Bij zonsondergang begint hij heel langzaam de vlag neer te halen op het moment dat de onderkant van de zon de kim raakt, en hij kient het zo uit, dat de vlag neer is op het moment, dat het laatste gloeiende tipje in zee is weggezonken; bij zonsopkomst geschiedt het omgekeerde. Deze paai is zo'n soort vent, waarvan in zijn conduite staat geschreven: „Heeft hart voor zijn werk."Ik word opgeschrokken uit mijn overpeinzingen door de stem van suikeroom, ,die me roept en zegt, dat we weer teruggaan naar de basis.

's Avonds besluit ik op m'n eentje eens de stad in te gaan. De namiddag is zo bloedheet geweest, dat ik rustig en zonder een vin te verroeren naast de ijskast heb gelegen in de gamelle officieren. Nu gaat het best met de temperatuur. Er waait een fris windje en de duisternis valt snel in. Het is acht uur, als ik eindelijk in de Punda arriveer. Ik duik een tent binnen in de Madurostraat, slinger me achteloos neer op een barkruk en bestel een „Cuba libre" met een gezicht alsof de benaming „rum and coke" voor dat drankje me volkomen onbekend is. Vol interesse neem ik mijn omgeving op. In een hoek staat een jukebox op volle kracht de tonen van de Tennessee-waltz te schetteren. De tafeltjes zijn matig bezet, meest door negers met hoeden op.

Vlak bij me zit een bijzonder elegant heer met roomkleurige huid en de algemene aanblik van een gigolo. Aan zijn pols blinkt een opzichtig duur horloge, verder heeft hij een fantastisch hemd aan, waarop een grote uit het water springende tonijn is afgebeeld. Zijn sokken zijn bruin met hel gele horizontale strepen, zijn haar golft zachtkens en eindigt in lange schuins weggesneden bakkebaarden. Zijn broek heeft een vouw als een mes, is vervaardigd van zeer dunne geruite stof en uitgerust met ritssluiting, want ik zie het trekkertje hangen. “Wat riskant," denk ik. Hij kijkt naar een knappe negermeid, die een paar barkrukken verder zit en die niet alleen hem, maar ook mij al eens vrijmoedig heeft aangekeken. De barkeeper, een dikke vent, trommelt met zijn vingers op de toonbank en kijkt afwezig naar buiten. De Jukebox stopt plotseling en in deze korte oase van stilte hoor ik de negermeid zeggen in mijn richting „Mi tin Bedoe!" Ik begrijp er geen snars van en schuif onrustig op mijn stoel heen en weer. „Wat zegt ze; vraag ik de barkeeper, „ik versta geen Papiamento" De barkeeper gonst iets in dat radde taaltje tegen de juffrouw in kwestie en het gevolg is, dat ze zeer aanstekelijk giechelt,

(waarbij een pracht gebit te zien komt) en ik stom mee hinnik en me gegrepen voel. „Ze zegt, dat ze dorst heeft," zegt de barkeeper. Ik kijk eens naar het meisje en vind wel iets aantrekkelijks in haar vochtige gazellen ogen en haar brutale, doch geestige en met lippenrood aangezette mond. Ten einde raad begin ik mijn schamele kennis van het Spaans bij elkaar te graaien en wil wat zeggen. Maar nu valt de jukebox weer in met een bijzonder temperamentvol lied, genaamd „Que rico el mambo".

De gigolo herleeft, rijst van zijn krukje op, grijpt zonder verder commentaar de juffrouw beet, en begint te dansen.

Hij danst heel merkwaardig, zijn voeten schuifelen snel op en neer en schieten soms uit, zijn derrière

beweegt geheel apart van de rest van zijn lichaam en beschrijft achten, zijn rug blijft kaarsrecht, terwijl het hoofd als een geknakte lelie op z'n romp wiegelt Bij dit alles kijkt hij bijzonder ernstig en geconcentreerd Het meisje heeft blijkbaar ook de mambo al eens eerder gedanst, want ze schommelt haar middenstuk met een gratie, die me bona het verstand doet verliezen.

Ik besluit dat dit het juiste tijdstip is om van Cuba libre over te gaan op whisky soda en voeg de daad bij het woord. Ondertussen zijn er nog een aantal paren aan het dansen geslagen. De barkeeper vertelt me, dat de elegante heer het ' eerisme beroep van. kapper uitoefent, terwijl het meisje in zijn winkel aan de kassa zit en Romelita heet. „O;' zucht ik gerustgesteld. De muziek eindigt en de paren gaan weer zitten.

 Ik trek de stoute schoenen aan en zeg in mijn beste Spaans tegen Romelita: „Uue quiere Ud Romelita mia?" „Ata, senor papil Spanjol"*) ze giert het uit  en schijnt de situatie bijzonder grappig te vinden. Ik raak nu eerst recht in de stemming en geef een rondje aan Romelita, de kapper en de barkeeper, zodat we tegen middernacht na vele andere rondjes ais de beste vrienden scheiden. Bovendien ben ik een paar woorden papiaments meester geworden en heeft Romelita mij plechtig beloofd dat ge mij eens mee zal nemen naar haar huisje in de Konoekoe en me zal vertellen over doesji Corsou en de Curaçaose dansen.

*) Ach meneer spreekt Spaans!

Home
Schrijf een bericht in het Nautenboek
Bekijk hier mijn Nautenboek