Exercise “Progress”

 

MET 18 mijls vaart glijden we door een vlakke zee met „Gorgeous" achter ons aan; ik zit achteruit op het dieptebommenrek en sla haar gade door de kijker van mijn gastheer. Zacht deinend snijdt ze smeuïg door het water, ik richt mijn kijker iets hoger en bespeur een aantal officieren op de brug, ze redeneren op typisch Franse wijze, met veel gebarentaal. Nu glijdt mijn gezichtsveld over het seindek en ik zie weer die grote borden, waar met krijt de seinen op worden geschreven die de lui bij de vlaggekasten moeten hijsen. Wat een 'lol hebben we daarom niet gehad!

Dank zij deze borden, die ook vanaf ons seindek te lezen waren...

En ik beleef weer in gedachten de manoeuvreeroefeningen van gisterenmiddag. Hoe snel ook „Gorgeous" seinen omhoog- hees, de Tromp herhaalde ze gelijktijdig, dank zij deze borden die ook vanaf ons seindek te lezen waren met behulp van de grote kijkers.

Onze seiners lachten in hun vuistje, pas op het laatst kreeg men het op de Gorgeous Leygues door en toen gingen ze kleiner schrijven! Een der seiners op de „Gorgeous" zie ik plotseling onze kant uitkijken en vervolgens een „K" seinen in onze richting;

ik weet dat zulks betekent „klaar om te ontvangen" en als ik mij omdraai en naar ons seindek kijk, zie ik dat er inderdaad een seintje overgaat.

 De Stafofficier-verbindingen (afgekort SOV en in de wandeling genaamd Suikeroom Victor) die inmiddels ook op de campagne een luchtje is komen scheppen leest het sein af en zegt „Love abie". ,,Wat heeft de liefde ermee te maken Suikeroom?" vraag ik hem.

De SOV kijkt mij schuins aan langs zijn grote neus en zegt: „De liefde komt overal bij te pas Lucky, dat hoor jij met jouw ervaring en leeftijd te weten!" „Die heeft mij zeker met Carla gezien in Stockholm" denk ik; „maar nu alle liefde ik bedoel alle gekheid op een stokje oom, wat betekent dat sein?"

 „Act indepedently" zegt suikeroom Victor, kijk maar!

 En jawel hoor, „Gorgeous" draait haar slanke steven sierlijk van ons af en gaat haars weegs  „Good hunting" seinen we haar achterna en weldra heeft zij haar mooie vormen kuiselijk in de nevel verborgen, als een bayadère achter de klamboe.

Ondertussen zijn de officier E.L, het hoofd M.K., mijn gastheer Sjonnie en de gamelle chef ook naar boven gekomen en ik bevind mij ongewild in deze kring van ouden daar ik een redelijke graad van bescheidenheid bezit trek ik mijn beste conduite-gezicht en houdt voorlopig mijn mond.

„Hallo lui", zegt de gamelle-chef lijzig, „zullen we het maar weer eens over de vrouwen hebben". „You have a one track mind sir", merkt Suikeroom op, doch zijn woorden. worden overstemd door een gehuil van verontwaardiging bij de rest, hetgeen bij mij sterk de indruk wekt, dat Suikeroom van zijn gemoed ook geen dubbelspoor maakt.

Het gesprek blijkt zich uiteindelijk te concentreren op personeelszaken; dat is marinegesprek nummer drie. U moet namelijk weten waarde lezer, dat er vier marinegesprekken bestaan en wel: nummer een - vrouwen; nummer twee - het katje (en dat betekent heus niet felix domesticus) en het schaften; nummer drie - personeel; nummer vier -algemeen.

Ik leer tijdens dit gesprek veel geheel nieuwe dingen onder anderen dat je het marinepersoneel kan verdelen in de volgende vier hoofdgroepen: 1e Dom en ijverig, dat zijn de slechtsten want die doen alles fout; 2e Dom en lui, dat is niet zo erg, want die lui doen toch niets, dus ook niets verkeerde; 3e pienter en ijverig, dat is hoogst onaangenaam, want die doen alles zelf en laten niets over; 4e pienter en lui, dat zijn de besten, want die doen alleen het uiterst noodzakelijke zelf en laten veel aan anderen over, verder doen ze nooit iets onnodigs. Ik knik tevreden en deel mij in gedachten in bij categorie

nummer vier, immers was dit niet zo dan had ik a. nog op de Kneuterdijk rondgezwalkt; b. naar de Tromp gelopen in plaats van me te laten rijden.

Inmiddels is de hofmeester van de wijntoko komen opdraven met wat geestrijk vocht want het is even over zessen, dus tijd voor de borrel; er blijkt ook voor mij een glaasje te zijn ...... Na enige tijd verlaat ik het gezelschap, gelaafd naar lichaam en geest, met nieuwe wijsheid overladen en - daar ben ik

zeker van - met een aantal extra punten voor m'n eerstvolgende conduite (en die is belangrijk, want daar moet ik eerste klas op worden)! De duisternis begint langzaam in te vallen en daar ik niet in het stikkedonker naar de brug wil wandelen, aangezien ik anders mijn poten stoot tegen allerlei uitsteeksels op het tentdek, loop ik maar vast naar boven. Dit keer besluit ik om eerst eens een kijkje in de commandocentrale te gaan nemen, daar ben ik nog nooit geweest en dat is toch eigenlijk te gek voor een aankomend scheepshond eerste klas. Ik heb de grootste moeite om dat hok binnen te komen.

De ingang is afgesloten met zwart gordijnen, hetgeen me doet denken aan die kermistent in Brussel waar ik vroeger eens was;

 „for men only” stond erop; Aangezien ik mij volkomen bevoegd acht, loop ik naar binnen, of beter gezegd klim, want de drempel is abnormaal hoog. Vervolgens raak ik volledig verward in de dubbele lagen zwarte gordijnen die door de tocht naar buiten bollen en

tenslotte rol ik als een kluwen naar binnen en kom terecht tussen de benen van een vent die op een stoeltje zit en aan wieletjes draait. De vent in kwestie schrikt zich eerst een hoedje en ontdekt dan dat ik het ben. „Laat me niet zo schrikken rothond" zegt hij. „Wat ben jij vreselijk ruw" bijt ik van me af, „als mijn moeder dit had gehoord, zou ik vast niet met je mogen omgaan!"

Radar, waar blijft mijn peiling nou zit niet te snurken!" roept iemand met gezag vanuit de duisternis. De vent kijkt haastig weer op z'n toestel. Zie je wel, dat komt ervan, onze lieve Heer ziet alles" sis ik en loop haastig door om een trap te ontwijken, ondertussen breng ik hem in de gedachten onder bij de tweede hoofdgroep. Langzamerhand begin ik aan het schemerduister in dit vertrek te wennen zodat ik de zaak eens op mijn gemak kon opnemen. Het geheel geeft de indruk van een soort spiritistische seance van lui die conduite hebben gehaald bij de duivel; in boeken heb ik daar wel eens over gelezen. De lange donkere officier met Franse naam, hij bespeelt de doedelzak in z'n vrije tijd, zit aan een lessenaartje in het midden, met een onwaarschijnlijk groot aantal knoppen. Verder zitten in allerlei hoeken en gaten lui te turen op spookachtig groen verlichte ronde schermen, dan wel tekeningetjes te maken op perspexplaten. Waarde lezers, dit zijn nu de rapp's. Denk er om ik maak geen schrijffout, het is wel degelijk met twee p's; ik weet dit allemaal van de schrijver van het bureau commandement, die in z'n vrije tijd ook rapp is.

 In het midden staat een soort tafel met glazen blad; heel modern. Onder het blad zit een machientje dat een geluid maakt als een ouderwetse koffiemolen die met oneindig kleine rokjes wordt rondgedraaid. Voorts werpt van onder tegen het glazen blad een lampje zijn lichtstralen.

Ik vraag aan de doedelzakspeler of dit nu de tafel is waar je een andermans brieven ongeopend op kan lezen vanwege het doorvallende licht, doch hij schudt meewarig het hoofd: „Neen, Lucky, dit is nu een zogenaamde automatische plottafel".

„O", zeg ik, maar begrijp er nog niets van; „smeden jullie hier dus de complotten om de vijand te verslaan?"

„Neen, plotten heeft niets te maken met complotten; hier tekenen we alle bewegingen van vriend en vijand op, zodat we steeds een overzicht hebben, en dat noemen we plotten."

Ik spring op de tafelrand om eens een kijkje te nemen, ik moest wat dringen want er staat nogal wat rapp-volk omheen.

Het verlichte papier biedt een rustige aanblik en is nog vrijwel maagdelijk; ik zie alleen een streep met pijlen en dat moet onze koers voorstellen. Ik ben hier gauw uitgekeken en wil weer van de tafel af springen als plotseling een keiharde stem in mijn oren dreunt.

 „Commandocentrale hier brug verzoekt decca-positie van 2200". Ik schrik me een hoedje en val van de tafel af. Een der jeugdige officieren grijpt een microfoon en zegt: , Commando centrale rudolf uit", vervolgens buigt hij zich over een kastje met een paar metertjes die zenuwachtig trillen en af en toe verspringen. De metertjes worden afgelezen en ik kijk nieuwsgierig toe wat het officiertje nu gaat uitvogelen. Hij buigt zich over een zeekaart die hardstikke vol is met strepen die kris en kras door elkaar lopen en weet daaruit op een of andere manier onze positie vast te stellen, die hij vervolgens doorgeeft naar de brug. Tot nu toe heb ik altijd gedacht dat Decca een firma is die zich bezighoudt met grammofoons en platen, maar nu weet

ik beter. Ondertussen komt er wat meer leven in de brouwerij. Helemaal op de rand van het radarscherm is een flauw lichtvlekje verschenen: zo af en toe verdwijnt het om nu en dan weer op te lichten als de fluorescerende secondenwijzer (daar lijkt het op) langs schiet. Je voelt de atmosfeer van

verveeldheid in dit hok wegtrekken en plaatsmaken voor een zekere spanning. De doedelzakspeler rapporteert onmiddellijk naar de brug „echo-twee drie vijf-achttien over". ,Ei, ei" zegt de brug. Ik trippel naar boven om te zien wat daar nu gaande is. De commandant en de CSML zijn beiden in de

kaartenbak gedoken, ik zie alleen maar hun benen en zitvlakken, de rest is verscholen achter het gordijntje; het tafereeltje doet me denken aan twee heren die in filmautomaatjes kijken waar je ondeugende filmpjes door kan zien.

Nu komen ze eruit. „Ja, ik geloof wel dat dat de voorhoede is" zegt CSM," laat maar alarm maken".

De officier van de wacht draait de schakelaar van de alarmschellen om en door het hele schip beginnen ze te tjingelen. Van kanan en kir! komt iedereen aangelopen. “Was ik maar thuis bij moeders" moppert er een „die houdt tenminste alarm in d'r eigen tijd!" Ik snel naar de kaartenkamer en gord mijn berichtenkoker om.

De Chef Stafen CSML zijn nu ook in de kaartenkamer en confereren met elkaar.

„Ja" knikt CSML, „stuur maar een melding aan de Georges Leygues".

Ha, het is er dus van! Ik rits de CS het telegram bijna uit de handen en ren ermee naar de radio. Daar

heerst een serene rust, hoewel het station wel vol is in verband met het alarm. Ik arriveer. bij de chef

station die het telegram in ontvangst neemt en plotseling een en al actie wordt. Roep Gorgeous maar

vast op" zegt hij, hier komt een flash".

Onmiddellijk beginnen antenne-relais rythmisch mee te klapperen met de sleutel, die door de rappe vingers van een der telegrafisten eerste klas wordt bediend: „Gorgeous" wordt opgeroepen. In mijn gedachten zie ik haar een slordige honderd mijl verderop als een slanke schim in de donkere nacht voortschieten, met gedoofde lichten, en loerend op dezelfde buit als wij: koopvaarders, volgeladen met kostbare zijden stoffen, Spaanse matten aan boord, wierook en de mirre, specerijen, Spaanse pepers, blanke slavinnen ...... maar neen lezers, verontschuldig mij, nu sla ik op hol, ik wil het te mooi maken.

Ondertussen heeft de telegrafist zijn oproep beëindigd en iedereen luistert in uiterste spanning of er antwoord zal komen; het welslagen van het plan hangt namelijk van deze verbinding afpas als wij „Gorgeous" kunnen vertellen wat wij waarnemen, is het voor haar mogelijk om met de door CSML gewenste tussenpoos van de andere zijde door de voorpostenlinie te breken en het convooi aan te vallen. En jawel hoor! Keihard begint er opeens iemand door de radio te piepen, „Gorgeous" geeft haar strijdmakker antwoord en de „Flash" vliegt over. Ik krijg het nu zeer druk en niet ik alleen, want een stroom van berichten begint te vloeien en op de brug, in de commandocentrale, in de kaartenkamer en de radio werkt iedereen in hoogspanning om niet alleen voor ons maar ook voor ;,Gorgeous" een zo duidelijk mogelijk beeld van de situatie te vormen.

Ik moet naar de commandocentrale om iets aan CSML te brengen die daar als gekluisterd staat aan de plottafel. Op het radarscherm bij de ingang zie ik al dat we er tot onze nek toe in zitten, het eerst zo schone scherm lijkt nu wel op een veld schapewolkjes. Wel acht witte stipjes zijn te zien en van schuin omhoog komt er nog een stel aan. Het plotvel is nu vol met lijnen en als dit werkelijkheid is, dan zit ik liever op de Kneuterdijk, want we offeren ons op, dat is zo klaar als een klontje. De CSML glimt van voldoening; zijn opzet is gelukt, kennelijk concentreert de gehele voorpostenlinie zich op ons en nu heeft „Gorgeous" vrij spel om het venijn, dat in haar slanke lendenen is geborgen, op het convooi los te laten. Het gaat nu heel snel, we worden omringd door vijanden, die met rood licht flitsen geven in onze richting om kanonvuur na te bootsen. Wij maken de ene koersverandering na de andere om salvo's te ontwijken en we nevelen en roken, maar in werkelijkheid zouden we al lang in de eeuwige jachtvelden zijn aangeland, als plotseling „Gorgeous" haar tjilpend stemmetje weer verheft om ons te vertellen dat zij nu ook torn heeft en wel van het convooi. Later horen wij dat zij er dwars doorheen is gestoomd, met zoeklichten schijnend over beide zijden ...... Het is tegen twee uur 's nachts, als het seintje „exercise completed" wordt ontvangen, zodat we de lichtjes weer aansteken en ons groene kleed afschudden; raidèrrrs vèrts eest fini! Vredig stomen we om de Zuid het convooi tegemoet, immers de orders zeggen dat we ons daarbij moeten aansluiten tot de volgende' oefening begint. Ik ben over mijn slaap heen en ga weer naar de brug.

De Kolonel zit in zijn scheerstoel; „zo Lucky", gromt hij, „jij blijft ook nergens ketelaar van".

Ik blaf instemmend en spring op de brugoverkapping aan BB, waar ik mij na het draaien van enige kringetjes nedervlij.

Het convooi begint zoetjes aan zichtbaar te worden. Steeds meer lichtjes doemen op en de TBS laat ook meer en meer stemmen horen. Ga maar met ze mee liggen" zegt de Kolonel tegen de Officier van de wacht, „dan kun je er makkelijker tussenschuiven"! , Gedwee draait de Tromp om en nu liggen we mee met een groot aantal schepen, waarvan we de posten niet weten. „Ik snap niet helemaal waar wij nu moeten komen", waag ik het te zeggen.

“Ik snap het helemaal niet" zegt de Kolonel, „SOV vraag eens wat onze post wordt!"

Op het Franse vlaggeschip de „Gustave Zédé" heeft blijkbaar iedereen al ingelegd en men bekommert zich kennelijk niet om de Tromp, arme zwerver, die er tussen moet schuiven. Eindelijk krijgen we onze post op en het is al tegen vieren als we op ons merk zijn, achter de Indomitable ...... De volgende twee dagen worden we veelvuldig geplaagd door mist en verder hebben we enige luchtaanvallen te verduren. Het worden twee inspannende dagen voor de bemanning en het is dan ook een opluchting als we eindelijk de haven van Cherbourg binnenstomen.

Nauwelijks liggen we aan de kade of „Zweetzuurtje" onze oude rivaal komt langszij van ons meren. „Gorgeous" en „Gloire" meren achter ons naast elkaar.

s Middags om vijf uur is het passagieren. Ik heb een uitnodiging gekregen om aan boord van de Gloire te komen. Dus tippel ik om half zes naar boven en zie dat aan dek iedereen keurig front maakt, de valreepsgasten staan aangetreden evenals de schipper en ik wil me juist tevreden knikkend de wal op begeven, als iemand me hardhandig opzij duwt, ik wil juist mijn commentaar hierover ten beste geven als er stilte wordt gefloten en

Vice Admiraal Mansergh, (dat is CS 2) zich van boord begeeft.

Ikslik mijn commentaar weer in en ga vervolgens in alle bescheidenheid van boord zachtjes neuriënd: ..Geduld is zulk een schone schat, dat zag ik laatst

aan onze kat". De carré des officiers supérieures" van de Gloire is stampvol. Allerlei talen worden door elkaar gesproken en naarmate de flessen leger worden begint iedereen iemand anders z'n taal beter te spreken.

Ik heb de tijd

van m'n leven met een Franse poedel die ik daar tegen het lijf loop. Ze heet

Marianne en woont op de Georges Leygues. Pikant zijn die Franse vrouwen

toch, ze kleden zich zo leuk, Marianne draagt new look, kwastjes aan de poten

en de staart en als ze kwispelt dan draait ze zo verrukkelijk met haar derrière.

We wisselen een hoop gegevens uit over onze diverse Marines en we komen tot

de conclusie dat het wel zeer wenselijk is om ook een „post exercise

conference" te houden voor de scheepshonden. Marianne vertelt me onder andere de drie regels

waaraan men zich in de Franse Marine moet houden, wil men het in de kortst mogelijke tijd tot

Admiraal brengen.

Primo: Zet altijd je naam op iedere inschrijflijst van het publicatiebord dan weet je zeker dat je nergens naast staat.

Secundo: Ga altijd prompt na vast werken de wal op, anders wordt je voor het een of andere karweitje gepikt.

Tertio: Spreek nooit kwaad over je commandant wanneer je bij een ondeugend meisje op bezoek bent, want dan komt hij het zeker te weten.

 …..Ik heb de tijd van mijn leven…

Ik strijk nadenkend over mijn snorren en vind dat hier een hoop inzit, bovendien geeft me dit moed om een iets vermeteler mopje aan haar te vertellen, dat ik hier niet zal herhalen vanwege de lezers beneden de achttien, in ieder geval valt het er goed in want Marianne houdt haar buik vast van het lachen en gichelt: „Fi donc, Joujou, mais vous êtes vraiment formidable". Ik lach van de weeromstuit mee, wat een fidele meid om me Joujou te noemen, zo typisch Frans hè, mijn zelf vertouwen neemt nog meer toe en ik geef haar speels een klapje op haar achterste. „O la la Joujou, tu brute" is het commentaar.

We hebben nu de juiste graad van verstandhouding bereikt om de wal op te gaan. Dat is evenwel gemakkelijker gezegd dan gedaan, want we zijn een eind van de stad en moeten zowat de hele haven omlopen. file kaden liggen vol met schepen en bovendien liggen er nog een heel stel jagers, 'op de boeien. Van her en der zijn de bootsmansfluitjes te horen en overal snorren sloepen door het bassin. Gelukkig krijgen we een lift van een Frans Officier, die ons midden in het stadje afzet. Marianne werpt zich nu als gids op en leidt me in een intiem straatje. Weldra zijn we opgeslokt in het schemerduister van de straatjes van Cherbourg. Het wemelt van de passagiers. Dat is trouwens geen wonder want er zullen zo ongeveer een tienduizend man een passagierslag aan het maken zijn.Alle kroegjes zijn stampvol, maar Marianne is een insider en neemt me mee naar een ogenschijnlijk gesloten huis, dat ze via een zijdeur binnengaat. We komen terecht in een gezellig intiem barretje, dat matig bezet is en worden met een hoezé'tje ontvangen; de gamelle chef en suikeroom zijn er namelijk ook aanwezig benevens een aantal Franse en Engelse Officieren en een Adelborst I die poppetjes tekent in zijn vrije tijd.

Het wordt een intens gezellige avond, op het eind als ik wat dichter tegen Marianne aan ga zitten

giechelt zij zachtjes tegen me en zegt: „Joujou, vout êtes un vraiment raidèrr, mais certainement pas vèrt!! ......

Aan alles komt een einde en zo ook aan dit verblijf te Cherbourg. En als een van de laatste schepen glijden wij tenslotte het bassin uit langs de Georges Leygues.

Eerbewijzen worden gewisseld en nog even zie ik Mariannes sympathieke staartje heen en weer zwiepen. „Partir eest mourir un peu" zucht ik; het is inderdaad waar.

Een paar dagen later glijden we alweer door de Waterweg naar onze vertrouwde ligplaats te Rotterdam.

Zestien dagen langs de wal staan ons te wachten en daarna de Noorse reis!!

Home
Schrijf een bericht in het Nautenboek
Bekijk hier mijn Nautenboek