Dit verhaal is ingestuurd door Jaap de Vreugd, ik weet niet wie de auteur is, maar ik hoop dat hij zich meld, want ik wil het vervolg ook plaatsen en daar heb ik denk ik toestemming voor nodig.

---------

Lucky Joseph meldt ons

Mijn eerste indrukken aan boord van een oorlogsschip

Deel 1

Ik ben maar een arme hond, mijn moeder was een Schotse Terriër en mijn vader onbekend, meestal zwerf , ik rond in de buurt van Kneuterdijk, Vijverberg en Binnenhof en luister naar de gesprekken van de mensen.

……vader onbekend…..

Uiteraard kom ik veel marinepersoneel tegen; ze gebruiken vaak het woord „luizenhuis". In het begin kon ik er niet achter komen maar na enige tijd kreeg ik door dat men daar het Ministerie mee bedoelde, in plaats

 van, zoals ik eerst dacht, mijn eigen hok. Op een goede dag, toen ik bij mijn favoriete boom stond, zag ik een mooie auto staan voor Lange Vijverberg no. 8.

De chauffeur stapte er uit en opende de klep van het bagagecompartiment, vervolgens borg hij er een koffer in maar sloot het compartiment niet direct af. Ik volgde een plotselinge opwelling en sprong in het bagagecompartiment achter de koffer. Niemand had mij door en alras zat ik in het stikdonker en raasden we over de weg, waarheen wist ik natuurlijk niet. Gelukkig duurde de rit niet zo heel lang, we minderden plotseling snel vaart en toen schrok ik me een ongeluk,.want ik hoorde luid getetter en schril gefluit en de auto stopte.

 

Na enige tijd hoorde ik weer luid getetter en gefluit gevolgd door een zware mannenstem die riep „Doorgaan". „Hij wel", dacht ik bij mezelf, „hoe kan ik nou doorgaan in dit nauwe hok".Gelukkig werd even daarna de klep geopend en de koffer opgetild. Ik had scherp uitgekeken en sprong pijlsnel naar buiten zodat ik net de trap miste die de chauffeur mij nagaf. Ik keek hem even verachtelijk aan, trok vervolgens mijn vriendelijkste gezicht, hield mijn staart onder een domphoek van ongeveer twintig graden (dat staat mij het beste) en liep over de voorste loopplank aan boord van het schip waarnaast de auto bleek te staan; TROMP stond met grote letters op het achterdekhuis.

Ik moet zeggen dat ik allervriendelijkst werd ontvangen. Er stond iemand bij de loopplank waartegen bijna iedereen „meester" zei, - hij zag er overigens helemaal niet uit als een schoolmeester -

……..boven de vaste kooi…..

deze figuur klopte mij vriendelijk over de rug onder het uiten van de woorden „je zal wel honger hebben Flip". Waarop ik prompt zei: „Lucky Joseph" is .mijn naam en honger heb ik zeker".

Een en ander was niet voor dove hondsoren gezegd en ik at gretig alle vleesafval op, die naast de kombuis op dek lag. „Dat is een hoge piet hier" zei ik tegen mezelf, „ik zal hier maar blijven".

Plotseling trok een pracht gezicht mijn aandacht. Een heel stel matrozen liep met grote karkassen van varkens en koeien naar het achterschip en ging daar een trap af. Ik volgen natuurlijk, het leek me verstandig om haarscherp in de gaten te houden waar het vlees werd opgeborgen. We gingen door een net uitziende gang met aan weerszijden hutten weer naar achter en door een luik verdwenen de karkassen. Na een tijdje kwamen de matrozen weer naar boven, kennelijk om nog meer te halen. Ik nam de kans waar en slipte naar beneden, door het luik, het was een rachtgezicht, om van te watertanden; hopies vlees en andere levensmiddelen.

 

Na even een vluchtige inspectie te hebben gehouden slipte ik weer de gang in, ik stond op het punt om naar dek te gaan  toen er plotseling een boom van een kerel uit de deuropening van een hut kwam en een luid gebrul uitstootte: „Hofmeester"!: Ik schrok me een hoedje en was met een sprong in de hut ernaast. Er heerste hier wel een vriendelijke atmosfeer, bovendien stond er een foto op het bureautje waarop een dame en een heer - vermoedelijk de bewoner van de hut - benevens een hondje. Het leek me verstandig om mijn tenten maar bij deze hondenliefhebber op te slaan, dus ik dook in het bagagenet boven de vaste kooi, om een behoorlijke piepslag te maken. Mis evenwel. Nauwelijks was ik in de hut of het gordijn werd met een wilde ruk geopend en een ruwe kerel liep naar binnen onder het uiten van de kreet „XY sluiten", bovendien had hij een stuk ijzer in zijn hand.

Dit geheel beviel mij allerminst dus nam ik een geweldige sprong de gang in - voor zover je met mijn Schotse Terriërpoten kan springen - en stiefelde naar de bak. Het was een drukte van belang aan dek en alras had ik in de gaten dat we bezig waren van de kade weg te gaan;

later hoorde ik dat men dat „ontmeren" noemt. Ik moet zeggen dat ik er plezier in begon te krijgen, per slot van rekening een hond moet toch ook eens iets van de wereld zien. Ik klom een paar trapjes hoger en belandde in een hut die vol stond met allerlei toestellen, er zaten een stelletje lui met telefoons op hun hoofden en verder hoorde ik geluiden als van een dozijn tjilpende vogels. „Volkomen onbegrijpelijke zaak dit" dacht ik en liep naar voren, daar was een hokje met een matroos er in, die zich blijkbaar bijzonder zenuwachtig maakte, want hij stond alsmaar aan een wiel te draaien en niet eens steeds dezelfde kant uit maar nu eens naar linksom, dan eens rechtsom. Telkens riep iemand van bovenaf met een bijzonder barse stem wat en dan begon die matroos weer te draaien:

Stuurboord aan boord!……. Stutten…….. Rechtzo…… Bakboord 10……Opkomen; uit een en ander begon ik te vermoeden dat hier het schip werd bestuurd.

 

…..naar het achterschip…….

 Overigens was ik blij dat ik dat niet hoefde te doen, wat een mensenbaan! 's Avonds sloop ik doodmoe van alle nieuwe indrukken door het volksverblijf.

Sjonge, wat was het hier hartstikke vol, overal hingen de kooien.

Home
Schrijf een bericht in het Nautenboek
Bekijk hier mijn Nautenboek