Terug naar Curaçao

 

ENIGSZINS slaperig zit ik alweer in een vliegtuig, dat me terug zal brengen naar doeshi Corsau. Ik ben blij dat het verblijf in Suriname voorbij is, niet dat de mensen daar onvriendelijk zijn, integendeel, maar de minder gunstige materiële toestanden bevielen mij slechts matig. Gisteravond heb ik nog eens hartelijk gelachen, want ik ben met marinier eerste klas Maatglas de wal opgegaan, ten einde een studie te maken van het nachtleven in Paramaribo. De marinier Maatglas vertelde mij vele mooie verhalen en was bovendien reeds in een beste stemming vanwege het St. Nicolaasfeest dat juist had plaats gevonden, waarbij hij niet in de zak werd gestopt. Hij is er eentje van het slag, waar het heilige vuur in brandt; in de dienst model en fanatiek, altijd met een vlijmscherpe bajonet, zijn wijsvinger is geschapen om drukpunt te nemen, tijdens passagieren is hij goedgeluimd en steeds te vinden voor een lolletje, doch nog net zo, dat het predicaat „is zwak aan de wal" niet op hem van toepassing is. We zongen op weg naar de stad tweestemmig dat welbekende liedje: „Wie klopt daar aan de pintoe. Het is een orang marionier, Vijf jaren is hij weggewees' En sekarang tinggalt'ie hier'."

Een en ander tot afgrijzen van een eerbiedwaardige Surinamer, met grijzend haar aan de slapen en een paar gapende kinderen om hem heen geschaard, die zo ontsteld stond te kijken dat hij kennelijk bepiekerde hoe de slechte mensheid tot inkeer zou kunnen worden gebracht. Aan de overkant slenterden een paar giechelende meisjes, die te oordelen naar hun gedragingen zeker zijn gedachten niet deelden. Verder was de straat vol met allerlei lieden, in huidskleur variërend van donker tot blank, die cafeetjes binnen gingen of uitkwamen, of die in groepjes stonden te praten. Opgewektheid heerste alom. Mijn geleider bracht me in een straatje dat wat minder druk was en waar een soort grachtje langs liep met aan de overkant weer een straat. Uit een restaurant op de eerste verdieping. met een overhangend balcon, klonk schetterende muziek; hier ging mijn geleider naar binnen. We bestegen een smal en steil trapje en kwamen in het restaurant. Een tafeltje aan de rand van het balcon was nog vrij, zodat we zonder verder dralen daar neerstreken. Een dikke Chinese vrouw kwam op ons af en vroeg in goed Hollands wat we wilden hebben. Denkende aan de prentjes van Jo Spier in Elsevier, bestelden we twee pijpjes en - ik moet het toegeven waarde lezers - het bier was weer best. Sissend vloeide het mijn slokdarm door. Aldus verkwikt herkregen mijn door het lopen vermoeide pootjes weer hun veerkracht en mijn oogjes gleden nieuwsgierig door het restaurant heen. Het was niet bepaald chique te noemen. Het balcon was over de hele lengte open en aan het uiteinde waar wij zaten ging het over in een soort danszaaltje, aan het andere einde bevond zich een bar, waar de dikke Chinese schommel nu weer achter troonde. Aan de bar zat een stelletje ruw uitziende blanke kerels; „vast goudzoekers" dacht ik. Mijn marinier vertelde me echter dat het zeelieden waren van een Amerikaans bauxietschip. De kerels waren druk aan het kaarten en werden daarbij geholpen door een drietal mulatten die er niet onknap uitzagen. Er klonk gestommel op de trap en een zeer merkwaardig, dik vrouwelijk schepsel kwam zuchtend en steunend naar boven. Ze was gehuld ineen goud lamé avondjurk, heur haar was in allerlei kleine, recht opstaande varkensstaartjes gedraaid, haar pikzwarte benen staken in een paar afgetrapte slippers en in haar hand hield ze een grote zwarte sigaar. Ze stevende met een grijns recht op ons tafeltje af, ik schrok me een ongeluk en vloog onder de tafel. Meteen krakende stem vroeg ze mijn marinier om een vuurtje. „Nou vooruit dan Aphrodite" zei deze. Ik was bang dat Aphrodite van de gelegenheid gebruik zou maken om op mijn stoel te gaan zitten, doch dat deed ze niet; wel vroeg ze om een biertje. „Ik mag van mijn moeder niet aanpappen met vreemde vrouwen" zei mijn vriend, zodat Aphrodite haar pogingen zuchtend opgaf en met een doffe klap een eind verder in een schommelstoel neerkletste. „Wat ben jij een bierhengst Lucky" zei mijn marinier. Blozend krabbelde ik te voorschijn en klom op mijn stoel. „Wat moet jij in het gevecht waard zijn, als je het aan de wal al afpikt tegen een zwak vrouwspersoon. „Meer vrouwspersoon dan zwak", mompelde ik in zacht verweer en verdronk mijn schaamte in de rest van mijn pijpje. Ondertussen klonk er luid gestommel op de trap en een aantal; negers verscheen ten tonele, ze gingen niet verder dan het danszaaltje en bleven daar rondhangen. Ze werden op de voet gevolgd door twee meisjes; een mooie en een lelijke. De mooie was hier kennelijk al meer geweest, want ze liep met het air van een eigenares naar het stelletje goudzoekers. „Well mi, if that ain 't Philomela" brulde een hunner, wiens grootste deel van zijn katje reeds in de la lag bij de moeder achter de bar. De mulatten keken zuinig, want dit was ongewenste concurrentie. Philomela zette zich op de schoot neer van haar aankondiger en boog zich lachend achterover. „Ai, wat kijken die mulatten jaloers", dacht ik. Op dat moment wierp een der goudzoekers een muntje in de jukebox, en de eerste tonen van het bekende Surinaamse liedje: „Bruine bonen met rijst" werden schetterend het luchtruim in geslingerd. Ik begreep nu waarom het stelletje creolen bij de dansvloer bleef, want de mulatten gingen met elkaar dansen en ergens vanuit het achterhuis kwamen nog meer leden van het zwakke geslacht die zich ook aan deze kunst overgaven. De mannen keken met half dichtgeknepen ogen toe en nu en dan schoot een van hen op een paar af, om dat ruw te scheiden en met de helft weg te dansen. Ook hier in Suriname ging het dansen gepaard met veel vertoon van lenigheid en met mijn tong uit mijn mond keek ik toe. „Kom Lucky, we zijn niet van batoe, we nemen er nog satoe" zei mijn marinier. En we namen er nog een. De jukebox ging nu over van „Bruine bonen met rijst" op het zo gevoelvolle deuntje ,.Matilda" (gezongen als Maa……til……..daaaa) ; dit bleek te machtig voor Aphrodite, die al onrustig met haar benen onder de tafel had zitten schuifelen. Met haar Churchilliaanse sigaar in de mond betrad ze de dansvloer en gaf - met klepperende slippers - een solodans weg. Haar ogen rolden en ze trilde van extase. De muurbloemen begonnen mee te joelen en de goudzoekers klapten in hun handen op de maat. Maatglas had geweldig veel plezier en lachte dat zijn mond bijkans scheurde. Ik kon het ook niet langer houden en gierde het zo hard uit, dat Aphrodite het hoorde. Ze vatte mijn lachen kennelijk op als een blijk van waardering, want ze veranderde van koers en danste regelrecht op mij af. Steeds dichterbij kwam ze en vervolgens boog ze zich over me heen, de muziek werd harder en harder en het zweet brak me uit ......„Meneer Joseph wordt toch wakker", roept de stewardess die over me heen staat gebogen. Verdwaasd staar ik haar aan en ga schielijk overeind zitten. „We zijn geland op Hato meneer Joseph", zegt het meisje lachend. Ik begin langzaam bij te komen en ontwaar dat de eerste passagiers al van het trapje afgaan. Suikeroom lacht vermanend en zegt: ,Het wordt tijd dat je eens wat minder zwaar gaat passagieren, want je ziet er zo verkreukeld uit!" ,Kon ik er maar zo goed tegen als Maatglas", verzucht ik.

De volgende ochtend wordt ik bij de eerste officier van de basis geroepen. Met gefronst voorhoofd zit hij achter zijn massieve schrijfbureau, hij is bezig een of ander staatsstuk door te lezen. Ik ga voorzichtig midden op de mat zitten, vóór zijn bureau, en neem mijn omgeving eens op. Op het bureau staan een paar geheimzinnige kastjes met knopjes er aan, waar zo af en toe een harde stem uitschiet. „Mij niet gezien met intercoms" denk ik, daar slijt je zo van. Aan de muur hangt een kaart van het Schottegat en  omstreken en tussen de ramen een enorme sleutelkast.

Ter verhoging van de rust donderen buiten een paar bulldozers voorbij, die blijkbaar ergens op de basis een afgraafkarwei moeten verrichten. De eerste officier heeft blijkbaar het staatsstuk doorgelezen, want hij zet ergens een paraaf en smakt het stuk in een bakje, gemerkt .,UIT", dat vrijwel leeg is. Vervolgens kijkt hij naar zijn bakje „IN" dat vrijwel vol is en zucht. Zijn oog valt op mij. Hij zucht weer, alsof hij zeggen wil: „Daar heb je weer zo'n vent met een gebruiksaanwijzing, die het luizenhuis me op m'n dak stuurt". „Lucky Joseph!" „Present meneer!" „We hebben een baantje voor je

gevonden, je wordt te werk gesteld bij de militaire zweminrichting „Michielsbaai!"

 

….liefhebbers….

….verplichte liefhebbers….
 „Iets aparts meneer!" zeg ik. „Na koffiedrinken vertrekt er een truck van het transportgebouwtje, zorg dat je er bent!" „Jawel meneer!" De eerste officier drukt op het knopje van zijn „intercom." „Schipper!"

 „Meneer!" ,.Wanneer gaat die truck weg met liefhebbers zwemmen!" „Kwart over tienen" meneer, „ik heb alleen niet genoeg liefhebbers, er zijn er maar tien en ik moet er twintig hebben!"  

„Nou dan wijs je tien liefhebbers aan!" „Jawel meneer".

 „Je hebt het gehoord Lucky", direct na koffiedrinken bij het transportgebouw, daar vertrekt de truck. „Jawel meneer!" „En Lucky Joseph!" „Ja meneer."„In je laatste conduite staat: „Is joviaal tegen zijn meerderen en minderen,denk er om dat ik geen last met je krijg, anders kan je wel schaterlachen!" „Jawel meneer." .,Ingerukt, mars!" Ik ruk in een hobbel naar buiten, het is tijd van koffiedrinken. Uit alle gebouwen en barakken schieten lui naar buiten. De officieren en onderofficieren duiken in hunne auto's en beklimmen daarmede de heuvels waar respectievelijk de longroom en de gouden bal op liggen. Stel je voor dat je in de Marinekazerne Den Haag, per auto van je werkkamer naar het verblijf rijdt", overpeins ik. Een kwartier later meld ik mij bij de onderofficier van de wacht, die op een enorme truck wijst en zegt: „Duik er maar in!" „Hij wel" denk ik en constateer dat de wieldoppen nog hoger zijn dan mijn persoontje.

Gelukkig pakt een van de verplichte liefhebbers zwemmen mij op en zet me in de truck neer, vervolgens vertrekken we. We boffen, want de brug is open, zodat we zonder oponthoud in Otrabanda aankomen, waar we ons in het gewoel van de Lodeweg storten. Vijf minuten later passeren we Plantersrust aan onze linkerhand en dan begint de stank. Neen maar wat een lucht! Over alles ligt een blauwe waas dat wordt uitgebraakt door de raffinaderij en de stank is scherp en doordringend. Ik benijd de mensen niet die hier wonen, ook al kunnen zij - volgens de overlevering - helemaal niets meer ruiken, daar hun reukorganen dermate zijn verzadigd, dat elk ander luchtje in de verdrukking komt. We gaan nu een zijweg in, die ons langs Julianadorp rijdt, een woondorp van de CPIM. De CPIM zorgt uitnemend voor zijn personeel, alles wordt voor hen geregeld; de mooiste huizen staan voor hen klaar, scholen voor de kinderen, zwembaden, tennisbanen, bioscopen, winkels, alles is er. Voordat ze naar de West gaan krijgen ze een keurig boekje van de maatschappij, waarin alles over de West wordt beschreven, hoe de mensen hier eten, wonen, baden, slapen, liefhebben; dat je Papiaments moet leren, en je hand voor je mond moet houden als je gaapt, etc.

, Laatst hoorde ik een mondain vrouwtje van de CPIM opmerken: „De maatschappij regelt geweunweg alles voor je zàg; je wòrdt geleefd, alles kun je vinden in het boekje over de West, werkelijk ongeluifelijk zàg!" Ik kijk met interesse naar dit luxe concentratiekamp, omgeven door boos uitziende prikkeldraadversperringen en geitenroosters en bezaaid met toegangsborden waarop staat dat onbevoegden hier volstrekt niet mogen binnenkomen. Even voorbij het Julianadorp gaan we linksaf een , geasfalteerde Konoekoeweg in. We rijden nu door een typisch Curaçaos landschap; vrij dorre velden, bezaaid met Spaanse juffers (een soort cactussen), een paar nonchalant neergeworpen bergen,. op een waarvan een landhuisje staat, konoekoeweggetjes die zich overal tussen door kronkelen, waarlangs kleine hutjes zijn gelegen, met de onafscheidelijke windmolens ernaast, dit alles bekroond door een helblauwe lucht die pijn doet aan de ogen. We komen nu op de top van een heuvelrug en zien plotseling de zee voor ons liggen, een lake-tanker ploegt zich moeizaam door de golven. Vervolgens gaat het helling af, naar de kust en dan passeren we aan de landzijde een aantal huisjes, een bar met schetterende jukebox en een paar winkeltjes. Aan de andere zijde is het strand, waar de nodige prauwen op het droge liggen, één prauw is kennelijk net aangekomen en de opvarenden zijn bezig een paar mansgrote tonijnen uit het water te trekken. Overal dartelen kleine zwarte kindertjes, schamele honden, kabrieten en biggen rond. Het weggetje loopt dood in een parkeerplaats, waarnaast zich een omrasterd gedeelte bevindt, een bord dat bij het hek hangt vermeld met grote letters:

,MILITAIRE ZWEMINRICHTING MICHIELSBAAI"

Dit wordt dus mijn nieuwe plaatsing. Het lijkt me niet gek, het is weer eens wat anders en het moet wel heerlijk vrij zijn.

 

Uit het Marinemaandblad “Alle Hens”, 6e jaargang Nr. 2, september 1952

Home
Schrijf een bericht in het Nautenboek
Bekijk hier mijn Nautenboek