IN DE KNOEI…

                        

WEERLOOS lig ik op een brancard in een kraakzindelijke kamer met glazen kasten langs de wanden,die vol staan met blinkende instrumenten. Ik voel me wanhopig en onteert, want een grote bruut van een verpleger heeft mijn buik,. borst en voorpoten volkomen kaal geschoren.

Met afgrijzen zie ik naar mijn kale voorpoten, waar kort geleden nog het ruige zwarte haar op zat.

 Wat een lage pit! En wat is alles snel gegaan. Vier dagen geleden kwam ik terug van een tocht door de Punda en ik had me nog niet afgemeld bij de onderofficier van de wacht op de basis of daar begon het; die brandende pijn even rechts van mijn maag. Kreunend van ellende rolde ik op  mijn mat heen en weer, tot de dokter verscheen en mij een ferm schot morfine gaf, waarna ik langzaam in doezelde. De volgende dag werd ik al naar het St. Elisabeths ziekenhuis gebracht en

in allerlei standen onder het röntgenapparaat gelegd. Gisteren kwam de officier arts van de basis aan mijn sponde en vertelde mij met een stralend gezichtje „dat wordt wel een operatie, kerel!" „O, wat fijn, docteur" zei ik en vervloekte de man inwendig. „En is het een zware operatie, dokter?" „Ja, het is behoorlijk, je galblaas wordt weggehaald en vooral daarna voel je je rot". Na deze opbeurende woorden en een „houd je taai, kerel" verliet hij mij. Van toen af werd ik geen moment , meer met rust gelaten en volgestopt met pillen, capsules en injecties. „Een vrolijk ingericht vertrek, zuster" zeg ik, „is dit nu de operatiekamer?". “Neen, meneer, dit is de instrumenten kamer hiernaast is de………….."

 Er klinken voetstappen en een fors gebouwd man treedt vrolijk handen wrijvend binnen. Ik herken de chirurg die mij de vorige dag heeft onderzocht. Is hij al klaar, prachtig zuster, rol hem maar naar binnen" zegt de chirurg „we zullen hem gauw helpen!"  „Wat leuk toch als je zo'n lol in je werk hebt" denk ik afgunstig. De vorige dag had ik onze dokter gevraagd of hij kwam kijken, waarop deze met grondige afschuw had gezegd, dat hij niets moest hebben van dat slagersgedoe. Ik wordt binnen gerold in een zaal, met in het midden een grote blinkende tafel, waarboven een enorm grote lamp hangt. Daarnaast staat een broodmagere, tanige, oude man met diep in hun kassen, gezonken ogen en een koksmuts op. die hem aller-dwaast staat. „Zeker de dood", denk ik. „dat is je narcotiseur, Lucky", zegt de chirurg vrolijk. „Aangenaam" prevel ik.

….zeker de dood, denk ik…

„Rustig ademhalen, Lucky''

„Wees maar niet bang, Lucky", we zullen je fijn wegmaken!" grijnst de dood. Twee enorm potige zusters leggen me op mijn rug op de tafel en gespen mijn poten vast met sterke riemen. Iemand schroeft een kap op mijn bek. zodat ik het stervens benauwd krijg. het koude zweet breekt me uit. Haal maar diep adem" zegt iemand. Ik haal adem. Een scherpe lucht dringt in mijn longen, ik hoest even, maar ga door met ademen. Ik kom in een lange tunnel en hoor een dreunende echo-stem van veraf zeggen: “Rustig ademhalen, Lucky” 

Steeds verder ga ik in de tunnel en het dreunt in m'n oren. Ik wil vragen of ik nu in de ondergrondse trein zit, maar hoor mijn eigen stem niet meer ...... Even knipperen mijn ogen tegen het felle licht en ik krijg een vage indruk van iemand die naar me kijkt en met een doek het zweet van mijn gezicht veegt, maar weer zink ik weg in een tunnel, dit spelletje herhaalt zich driemaal, voordat ik eindelijk half versuft ri'n ogen open en kijk in een lief zorgzaam gelaat, omlijst door een nonnenkap. Ik wil overeind gaan zitten, doch de non houdt me met vaste hand tegen en een andere non houdt mijn rechterpoot vast, waar een slang met naald in is gestoken. Op hetzelfde .moment voel ik een scherpe pijn in mijn

rechterborst en moet overgeven. Een weeë lucht trekt door mijn neus en keel en iedere braakbeweging is mij een marteling. Amechtig leg ik mijn kop weer neer en zie dat de arts van de basis aan mijn voeteneind staat, „Ja, kerel, voel je je nu niet rot, ik heb het wel gezegd, nog vier dagen zo en dan gaat het beter!" Ik heb niet de kracht om te antwoorden. ,.Houd je taai kerel, ik kom straks nog eens kijken, ik moet toch op een bevalling wachten!" Ik knik zwakjes, „altijd wat loos bij de marine" denk ik.

Na nog eens een keer onder heftige pijnen te hebben overgegeven begin ik me iets rustiger te voelen. Een van de nonnen veegt nog eens m'n snoet schoon, want het zweet blijft nog steeds uit m'n poriën gutsen, en verlaat de kamer. De andere blijft m'n poot vasthouden. Ik volg het slangetje omhoog en zie dat het eindigt in een grote fles, die omgekeerd is opgehangen aan een standaard naast mijn bed. Er borrelen steeds belletjes omhoog, waaruit ik concludeer dat het lichtgele vocht in de fles langzaam mijn aderen binnenstroomt. Op mijn vraag of het jenever is wordt ontkennend geantwoord. Mijn mond is kurkdroog en ik vraag of ik een glas water mag hebben. „Neen" zegt ze, „Uw ingewanden zijn nog niet op gang, daarom krijgt U de fles!" „Wanneer mag ik dan wel water hebben?" „Over een dag of drie, wanneer Uw ingewanden weer werken, dan mag U ook weer eten!" „Grote goden" kreun ik „wat een ellende". Na een paar uur is de fles op, maar er komt een nieuwe fles voor in de plaats en onafgebroken zie ik het vocht in het slangetje druppelen en vervolgens in mijn ader. Tegen de avond komen de twee nonnen weer, die me mijn hospitaalhemd heel voorzichtig uittrekken en de lakens onder me wegtrekken. Alles is kletsnat van de transpiratie en het is een genot om schoon goed aan m'n lijf te voelen. De fles wordt weggehaald en het slangetje uit m'n poot getrokken, vervolgens geeft een van de nonnen mij weer een injectie. „Om te slapen" zegt. ze erbij. De beide zorgzame nonnen verdwijnen en voor het eerst lig ik alleen. Buiten begint het te schemeren. Ik voel langzaam een heerlijke loomheid in me opkomen, die de pijn wat verzacht en gelukkig glij ik even later weg in de slaap. Als ik ontwaak is het donker, boven de deur van mijn kamer brandt een nachtlichtje. Ik vraag me af hoe laat het is, maar helaas is er geen klok in de buurt. Het raam van mijn kamer staat wijd open en af en toe dringt een flauw koeltje naar binnen, vermengd met een lichte oliegeur van de raffinaderij. Naarmate mijn slaapinjectie uitgewerkt raakt, komen de pijnen weer terug. Ik kan maar heel voorzichtig ademhalen, want als ik maar even hoest, of nies, lijkt het of iemand een cactus door mijn borstkas heen en weer trekt. De kerk van Otrabanda dreunt elf slagen door de ruimte. ,.Elf uur pas, hoe kom ik deze nacht door!" Ergens dicht in de buurt is een feest aan de gang, want ik hoor muziek en geroezemoes van veel stemmen.

Para tras di waja Ma nura una mosa Su cara ta bunita Su curpa tin culebra ...... schalt een negerstem, begeleid door de feestvierders, die blijkbaar veel plezier hebben in het nog steeds zo populaire deuntje „bula waja". De.muziek leidt me gelukkig wat af, ik heb een zwak voor de liedjes die

zeggen: ze hier op Curaçao maken, hoewel ik me wel eens afvraag waarom, daar ik nu niet bepaald in de tropen ben grootgebracht en eigenlijk draaiorgels veel meer zou moeten appreciëren. De feestvreugde neemt toe en het bandje gaat over op een ander populair deuntje, genaamd „awa ta ka!" (het regent), het lijkt echter helemaal niet op „het regent, het zegent, de pannetjes worden nat". Iedereen brult het liedje mee en ik kan bijna de - rum-kegels ruiken van de feestgangers.


... twee okkernoten in het flesje...

Mijn hoofd hamert mee op de maat en och hemel, daar moet ik hoesten! Wat een pijn! Ik kan wel grienen! Het koude zweet breekt me uit en nadat m'n hoestbui over is ben ik misselijk en moet ik weer overgeven. Met ontzaglijke krachtsinspanning kan ik mijn poot zover uitstrekken dat ik bij de bel kan komen, die ik verder ingedrukt houdt. Even later klinken haastige voetstappen op de gang en de nachtzuster komt binnen. „Zuster geef me !n's hemelsnaam nog een injectie, want dit is niet om te harden" kreun ik. „Neen meneer Lucky probeert U het eerste, bovendien geven we in principe zo weinig mogelijk slaapinjecties, want anders stelt Uw lichaam zich er te veel op in". „Ik heb lak aan principes zuster, laat me toch slapen, ik ben doodmoe!" „Neen meneer Lucky, probeert U het eerst zonder, als het U om twee uur nog niet is gelukt, dan krijgt U nog een injectie!" Ergens in de verte begint een baby te gillen. „Ik moet weg, ik ben met de babies bezig" zegt ze en weg is ze. En zo worstel ik verder, alles dwarrelt door m'n brein, het smaldeel, Stockholm, mijn passagiersslag in Brest, awa ta kai, etherlucht; maar slapen ho maar. „Dat is nu de straf voor mijn ongeregelde leven" denk ik. Eén slaat de klok. Wat is het nu, half een, een uur, of half twee? Ik weet het niet, ik ben de tel kwijt. Een half uur lang sar ik me op, om te weten hoe laat het is. Eén slaat de klok. ..awa ta… .aaaa ka - ie ie ie…... "  loeien de feestgangers. Heel voorzichtig probeer ik iets in bed te verschuiven, want m'n billen slapen, doch mijn voorzichtige pogingen worden beloond met een messteek in mijn zij.

„Sliep ik nu maar in plaats van mijn billen" jammer ik. Het Christus-beeldje boven mijn wastafel kijkt me rustig, doch verwijtend aan. „Die had ook pijn, misschien nog wel meer dan ik" flitst door mijn pijnlijke moede hoofd. Een slaat de klok. „Ha, half twee", juich ik bijna, ,nog een half uur en dan is het Blookertijd" Ik fixeer nu het Christus-beeldje, verbeeld ik het me, of gaat daar rust van uit? Het hangt midden boven de spiegel van de wastafel en het wordt zacht verlicht door het nachtlichtje boven de deur aan de overkant van de kamer. Daar begint het weer te kriebelen in mijn keel, ik vecht tegen de opkomende hoest, maar niets helpt, ik moet er aan geloven en steunend en kreunend hoest ik maar door ......Er klinken weer voetstappen op de gangen de nachtzuster komt binnen; in mijn ogen is het een engel, zelden ben ik zo blij geweest een mens te zien. „Wat, slaapt U nu nog niet, meneer Lucky ?" „Neen zuster, wat brutaal van me hè?" „Ik zal gauw een spuitje halen" en weg is ze. Even, later priemt de naald in mijn dij en wordt het verlossende vocht ingespoten. Na een kwartier komt weer die heerlijke loomheid als 'een donzen deken over mij heen, mijn pijnen gaan weg en ik glijd in slaap. De volgende ochtend breekt aan met nieuwe kwellingen. Nadat Zuster Francoise - mijn lijfzuster noem ik haar - me heeft gewassen, verschijnt er nog een non, die naar de naam van zuster Corona luistert. „Nu gaan we een klein wandelingetje maken"..Het bloed stolt me in mijn aderen. „Maar hoe kan dat, mijn hele pens is opengesneden", jammer ik. „Dat valt best mee, dat is de moderne methode van genezen" zegt de inmiddels binnengetreden marinearts. „Daar heb je  weer zo'n walslurp die altijd denkt dat alles kan", denk ik. „Even flink zijn" zeggen de zusters en ze pakken me elk bij een arm beet en zetten me heel voorzichtig overeind. Het voelt net of er een stel keien in mijn lichaam zitten, die nu naar beneden rollen. „Zo, als U nu het flesje vasthoudt, dan gaan we een paar stappen doen", zegt zuster Fransoise. „Welk flesje?" „Hier, het hangt aan Uw verband". Nu zie ik, dat uit mijn verband een rubber slangetje steekt, waarvan het uiteinde zit in een flesje; uit het slangetje druppelt een zwart vocht. „Uw gal" zegt Corona. Ik begin nu de diepere betekenis te begrijpen van het bekende gezegde „en zijn gal liep over." Tot mijn stomme verbazing lukt het me inderdaad om een paar stappen te doen en daarna word ik weer naar bed gebracht, waar ik doodmoe neerzijg, als had ik de vierdaagse gelopen. De chirurg komt binnen en vertelt me dat ik er prachtig uitzie, vervolgens haalt hij een flesje uit z'n zak en zet dat op m'n nachtkastje. „Dat zijn de keien die ik uit je heb gehaald, het was maar een smerig partijtje die galblaas van jou!" Met afgrijzen kijk ik naar de twee okkernoten in het flesje en begrijp dat ik niet voor niets ben opengesneden.

 

 
Home
Schrijf een bericht in het Nautenboek
Bekijk hier mijn Nautenboek